Adelaars van de Lage Landen komen eraan

Toeval of beleid, de doorbraak van zoveel klimmerstalent? „Beide”, weet jeugdtrainer Piet Kuijs. „Je kunt van een niet-klimmer geen klimmer maken. Wel kun je een paar procent toevoegen bij iemand die goed is bedeeld.”

Het eerste trainingsrondje van wielrenner Steven Kruijswijk, die de afgelopen Ronde van Italië schitterde op de flanken van gevreesde reuzen als de Monte Zoncolan, Passo di Giau, Fedaia of Colle delle Finestre? „Geldrop, Maarheeze, Weert en dan over Someren en Lierop weer terug naar Geldrop”, vertelt Sjef Kisters, de eerste jeugdtrainer van Kruijswijk bij de Nuenense wielervereniging Trap met Lust. „Volledig vlak ja, met alleen twee viaducten. Klimmen is pas later gekomen.”

Nooit vergeet Kisters de dag dat de vijftienjarige Kruijswijk voor het eerst bij hem op de stoep stond. „Klein mannetje, mager, een beetje bleu. ‘Mag ik meedoen met de training meneer’, vroeg hij. Heel nederig. In zijn hand een goedkope Giant-racefiets, nog met een triple. Wat is dit er voor één, dachten de andere jongens. Niet de uitstraling van een kampioen, wel karakter. Hij moest en zou bijblijven bij de rest, al werd zijn hoofd helemaal rood en twee keer zo groot. Steven gaf nooit op. Negen jaar later is het makkelijk gezegd, maar ik zag er direct iets in.”

Klassiek jongensboekverhaal is ook de achtergrond van Bauke Mollema, die al eerder dan ploeg- en generatiegenoot Kruijswijk als gevleugelde klimmer doorbrak in het profpeloton. Op een stadsfiets met triatlonstuur speerde hij dagelijks door het Groningse land naar school. Parcours als een biljartlaken, de wind als grootste tegenstander. Zijn record? Dertien kilometer in achttien minuten! Op een oude racefiets, met zes afgesleten tandwielen achter, en in een slobberig Raboshirt meldde de zeventienjarige ‘Baukema’ zich bij de Noordelijke Wielervereniging van trainer Thijs Rondhuis. Om krap drie jaar later, in 2007, als winnaar van de zware rittenkoers Tour de l’Avenir in de voetsporen te treden van Joop Zoetemelk (1969) en de onlangs overleden Fedor den Hertog (1972).

Robert Gesink, een van de beste klimmers ter wereld, fietste in zijn jonge jaren eindeloos met jeugdvriend Frederik Bekkers door het vlakke land van de Achterhoek. Steeds weer twaalf kilometer van de boerderij van de Gesinks in Varsseveld naar het huis van Bekkers in Aalten, en weer terug. „Als we na de training bij mij thuis kwamen, reed ik nóg een keer met hem mee”, vertelde Bekkers in 2008. Zo maakten de jonge clubgenoten bij De Peddelaars elkaar gek. „Als we in Varsseveld waren, ging Robert weer een keer met mij mee. We wilden meer trainingskilometers maken dan de ander.”

Zelfs de Limburgse klimmersbelofte Wout Poels, dit voorjaar sterk in Tirreno-Adriatico, begon als wielrenner niet in de heuvels maar op het vlakke. Eerst op het baantje van Wielervereniging Buitenlust, later met een rondje vanuit zijn woonplaats Blitterswijck door de Noord-Limburse boomgaarden langs de Maas.

„De adelaars van de Lage Landen”, zoals de Belgische tv-commentator José de Cauwer tijdens de Giro dichtte, maken steeds vaker naam in de grote klimkoersen. Gesink begint op 2 juli aan zijn derde Tour als absolute kopman van de Raboploeg. Vorig jaar was hij zesde, nu is het podium zijn doel. Tourdebutant Mollema in 2010 uitblinker in de Giro-cols en de Ronde van Lombardije, is zijn eerste luitenant in de bergen. Kruijswijk mag na zijn sterke Giro uitrusten en rijdt geen Tour. Bij Vacansoleil, de tweede Nederlands Tourploeg, hoopt debutant Poels direct te scoren in de cols.

Toeval of beleid, de doorbraak van zoveel klimmerstalent? „Beide”, stelt Piet Kuijs. Al 26 jaar houdt de Brabander zich bezig met wielertalenten. Eerst als bondscoach van onder meer Michael Boogerd en Erik Dekker, sinds 1996 bij de Rabo-opleidingsploeg. „Je kunt van een niet-klimmer geen klimmer maken. Wel kun je een paar procent toevoegen bij iemand die door Moeder Natuur goed is bedeeld. Met een goede opleiding, goed programma en een goede ploeg haal je meer uit talenten. Het is zeker geen toeval dat zoveel van onze jongens doorstoten naar de profs.”

Maar ook buiten de Raboploeg breken klimmers door. Johnny Hoogerland kon vorig jaar lang aanklampen in de Vuelta-cols. Zijn ploeggenoot Rob Ruijgh reed deze week bergop sterk in de Dauphiné Libéré. En Vacansoleil koestert Poels. „Je zag direct dat hij iets speciaals kon”, zegt Aart Vierhouten, drie jaar geleden ploeggenoot van Poels bij P3 Transfer Batavus en inmiddels zijn persoonlijke trainer en bondscoach. „De weg begon te stijgen, iedereen ging prutsen met z’n versnelling, Wout reed met een grote glimlach bij ons weg. Was-ie 20 jaar. Iedereen had een hekel aan die lange klimmen, van Wout mocht het gerust 10 of 15 kilometer zijn. Begenadigd klimmer.”

Michael Boogerd, in 2007 gestopt, wil niet spreken van één generatie klimmers. „Met Gesink heb ik nog gefietst, Kruijswijk kwam vorig jaar door, Poels en Mollema zitten daar tussenin. Elk individu heeft een andere achtergrond. Maar het is gaaf dat we het nu weer zo goed doen.”

In de jaren zeventig kregen Joop Zoetemelk en Hennie Kuiper, die bergop tot de besten van hun generatie behoorden, vlot aanvulling van jongeren als Henk Lubberding, Johan van der Velde, Peter Winnen en Jo Maas. Wat later volgden Steven Rooks, Gert-Jan Theunisse en Erik Breukink. Daarna was het plotseling afgelopen met de Nederlandse klimmers. Boogerd ging sinds 1996 als enige vaak met de besten omhoog, met zijn bergritzege op La Plagne (2002) als beste resultaat.

Waarom de aanvoer van klimmerstalent zolang stokte? „Ik begeef me nu op glad ijs”, zegt meester-opleider Kuijs aarzelend. „Jarenlang speelde het medische plaatje op. Jongens die op ons niveau de hele wereld aan gort reden, mochten bij de profs blij zijn als ze nog konden volgen.” Namen? Roel Egelmeers, Remmert Wielinga of de vorig jaar gestopte Theo Eltink. „Een puur klimmerstalent. Als hij op dit moment 20 was geweest, ging hij zeker een heel mooie carrière tegemoet.”

Ook Kruijswijk had het zwaar als neo-prof. „Als belofte werd hij in zijn eerste klimkoers met de profs links en rechts voorbij gereden”, zegt zijn jeugdtrainer Kisters. „Mannen als Danilo Di Luca gingen zo ontzaglijk hard omhoog. ‘Ik word nooit een klimmer’, klaagde Steven toen hij thuiskwam. Drie jaar later rijdt hij met Contador mee naar boven in de Giro. Zo zie je dat jonge renners tijd nodig hebben om te groeien.”

Het Tourpodium komt volgens Kisters in zicht voor Kruijswijk, als hij zich blijft verbeteren. „De Giro is iets anders dan de Tour”, waarschuwt Boogerd. „Mollema en Poels gaan ervaren dat in de Tour meer komt kijken dan goed bergop rijden. Gesink staat in dat opzicht ver boven de anderen. Hij heeft al klassementen gereden en legt zichzelf de druk op om het hele jaar goed te zijn.”

Gesink heeft een voortrekkersrol, zegt Vierhouten. „Hij heeft wel de aanzet gegeven tot de ontwikkeling die je nu ziet. Talent plus keihard kunnen trainen, Robert laat die andere jongens zien dat er dan veel mogelijk is.” Op zijn beurt kan de kopman profiteren van een breder klimmersaanbod. „Weening, Tankink of Ten Dam gaan nooit stuk bergop. Met zoveel Nederlanders in de ploeg ontstaat er iets. Dezelfde taal, voor elkaar door het vuur gaan. Dat was altijd de kracht van de ploegen van Post en Raas. Nu begin je dat terug te zien bij Rabo en Vacansoleil. De kracht van een groep is heel bepalend.”

Jonge adelaars dienen zich volop aan. Tom-Jelte Slagter (21) is neoprof. „Als hij niet was gevallen had hij in de Giro kunnen scoren op de Zoncolan”, zegt Rabo-trainer Louis Delahaye. Wilco Kelderman (20) uit de opleidingsploeg won de Ronde van Noorwegen. „Topklimmer”, vindt Delahaye. „En let op Daan Olivier”, glundert Piet Kuijs. „Pas 18 jaar, reed laatst de Rhône-Alpes, zijn eerste klimmen tot 1.300 meter. Nooit weggeweest uit de eerste tien.”