Worden Kamerleden aangevallen?

‘Een Kamerlid”, zo schrijft een CDA’er, „staat in aanzien op vergelijkbaar niveau met verkopers van derdehands auto’s.” Verwacht dus ook niet dat „de bejegening als een warm bad aanvoelt”.

In tegendeel. Volksvertegenwoordigers worden, zo blijkt, zo goed als allemaal aangevallen of zelfs bedreigd. Slechts één van de respondenten zegt nooit een negatieve reactie ontvangen te hebben uit het land. De anderen allemaal wel. Meestal per e-mail, soms telefonisch, soms zelfs persoonlijk, op straat.

Ze worden „opvreters” genoemd.

„Met name in de mails was met regelmaat sprake van totaal respectloze benadering en complotdenken.”

„Er werd met grove taal gescholden.”

„Dat ik gek was.”

„Dat politici van mijn partij van alles de schuld waren en dat we maar allemaal moesten ‘oprotten’ naar een moslimland.”

Die laatste kwam van een PvdA’er. Maar welke partij het Kamerlid vertegenwoordigt, lijkt over het algemeen niet uit te maken. Het zijn scheldpartijen zonder inhoudelijke argumentatie, en vaak betreffen de verwensingen niet de persoon of politieke standpunten.

Er zijn „scheldkanonnades”, „verwensingen naar de dood”, agressie van mensen die hun „eigen leven niet op de rit” hebben „en mij daar verantwoordelijk voor houden”, of die het Kamerlid verantwoordelijk houden voor „het herstellen van de verstoorde familieverhoudingen”, want „anders deugden wij niet voor ons werk”.

Waren de verwijten terecht, eigenlijk? „Nee, natuurlijk niet”, zegt een PvdA’er. Een SP’er reageert „dat ik toch niet gek ben” en een ander zegt weer „leuk is het natuurlijk niet, ordinaire scheldpartijen”. Weer een ander vindt: „anonieme dreigbrieven zijn nooit te rechtvaardigen”.

Het gaat verder dan dat. Van de respondenten denkt 80 procent er soms nog aan of herinnert het zich „levendig”. In het geval van een CDA’er had het zelfs nog meer impact. „Ik werd gewaarschuwd door de AIVD dat er dreiging was van een bepaalde persoon in mijn richting.” Maar: „Gek hoe dat gaat, want een telefoontje dat het gevaar geweken is, krijg je niet.”