Welke kritiek is terecht?

Welke kritiek op de volksvertegenwoordigers is het meest onterecht, volgens henzelf? Het is een open vraag, maar de antwoorden zijn opvallend identiek. „Dat we allemaal mediageile zakkenvullers zouden zijn die niet hard zouden werken”, vat een VVD’er samen.

Denk niet dat de oud-politici het politieke bedrijf bij terugblik het voordeel van de twijfel geven. Want veel moet beter. Het meest wordt de „incidentenpolitiek” genoemd. „Minder waan van de dag” zeggen ze, „van verkiezingen geen sportwedstrijd maken”, „het afschaffen van spoeddebatten”, „méér op hoofdlijnen debatteren”. Tot zover het systeem waar ze zelf jaren deel van uitmaakten.

En de politici zelf? Die zouden hun vak anders moeten invullen. Drie keer noemen ze elkaar „haantjes”, twee keer wordt geconstateerd dat er onderling onnodig veel „vliegen worden afgevangen” en een keer kwalificeert een oud-Kamerlid zijn collega’s als „kippen”. Samengevat, een pijnlijk oordeel: „We zijn wel erg met onszelf bezig daar. Als je er een tijdje tussenzit, zie je dat niet meer” (VVD). Een CDA’er ziet het zo: „Er is een profileringsdrang met de daarbij gepaard gaande neiging tot onbetrouwbaarheid en achterbaksheid.” Dat zou over elke werkvloer gezegd kunnen worden. Maar in het politieke bedrijf staat meer op het spel. Want: „Hierbij wordt het algemeen belang vaak uit het oog verloren.”

En het helpt niet, zo zegt een CDA’er, dat het verlies aan grip op de materie wordt gecompenseerd door „parlementaire schuttingtaal”. Dat ondergraaft de eigen positie alleen maar verder.