Wat moet je zeggen?

Achter me, buiten Gare du Nord, doet een man onrustig. Alle reizigers staan in een afgezet parcours, zodat we een voor een bij de taxistandplaats uit komen. De man is een kop groter dan ik, donker, hij telefoneert in een Surinaams accent, zo een waar suffe cabaretiers makkelijke lachers mee scoren – ‘oewat oewil jij?’. Hij botst een paar keer met zijn rolkoffer tegen de mijne aan, zucht geïrriteerd, en dan, als hij er genoeg van heeft, stapt hij over het afzetlint heen en loopt hij buitenom naar het einde van de rij.

Hij draait zich nog om en kijkt me aan: ‘Ik dring eventjes lekker voor.’

„Is dat niet een beetje lomp?”, zeg ik. Hij negeert me.

„Hé!”, roep ik. „Doe niet zo lomp.”

„Ik ben nu eenmaal een egoïst,” roept hij, al half in een taxi. „Ik ben namelijk een Nederlander.”

Hij rekt het woord uit. Nee-der-land-er.

Je bent helemaal geen Nee-der-lan-der! Het ligt op het puntje van mijn tong. Ik sta er zelf van te kijken hoe gemakkelijk het me te binnen schiet, het type borderline-nationalistische-Henk & Ingrid-belediging. Natuurlijk zal hij een Nederlander zijn, niet minder dan ik, maar wat is het voor mij gemakkelijk, blond & blank, hem op zijn accentje te wijzen. Het is het botte PVV-equivalent van ‘Fonds, je hebt een wijnvlek.’

De vintage hippe popfilosoof Slavoj Zizek, ‘het denkbeest uit Slovenië’, maakte een slimme kanttekening bij het incident van Mel Gibson, die dronken van de weg werd gehaald en allerlei antisemitische teksten begon uit te kramen. Gibson toonde nu zijn ware aard, werd geroepen; had zijn Passion of the Christ al niet een sterk antisemitisch ondertoontje?

Maar is dat niet dubbelzinnig, vraagt Zizek? Als we dronken zijn hebben we allemaal een handje van liegen en opscheppen (over je baan, je salaris, je seksleven), zijn we onnodig lomp en kwetsen we sneller en grager. Alcohol maakt ons uitvergrotingen van onszelf. Elke rechter weet beter dan beschonken getuigen te vertrouwen. Maar op het moment dat we in dronkenschap racistische taal uitslaan, zoals Gibson, of onlangs modeontwerper John Galliano, dan zouden we ineens laten zien wie we werkelijk zijn.

Het is complex. Het suggereert dat racisme nooit een leugen kan zijn, nooit alleen kwetsend bedoeld kan zijn. Ik vind het een moeilijk onderwerp. Ik wil niets relativeren. Gibson is vast fout. Ik ben niet dronken, maar woedend. Dat voordringen, zijn agressie. Het interesseert met echt niet of hij een Fries is of een Antilliaan, maar ik wil hem ogenblikkelijk waar dan ook mee beledigen, hoe lomper, hoe beter.

Maar ik krijg het niet uit mijn strot. Het is een te grote breuk met mijn opvoeding, ik zeg niets, hij verdwijnt in zijn taxi en nu, een week later ben ik er nog opgefokt over.