Wat doen oud-Kamerleden nu, een jaar na vertrek?

Wat doen ze nu, een jaar na dato? „Heel veel onbetaald werk”, zegt een SP’er. In de praktijk wordt er door veel ex-Kamerleden vooral gezocht naar een vaste baan of zijn ze „zelfstandig adviseur” geworden, op het gebied van „cultureel ondernemen”, onderwijs en „op het snijvlak van bestuur en bedrijfsleven”. Dat zijn er acht.

Een PvdA’er is teruggegaan naar het familiebedrijf, ze werkt weer in de Amsterdamse modezaak. Een ander is parttime docent, een derde noemt het voorzitterschap van een amateurvoetbalvereniging.

De beeld dat oud-Kamerleden altijd nog burgemeester of beter kunnen worden, klopt maar zeer ten dele. Eén van hen is burgemeester geworden; twee vervullen die functie nu op interim-basis. Die gemeenten zijn geen van alle erg groot.

Toch is, naast het adviseurschap, een werkplek bij de overheid het meest geijkt, ook al lijken zulke functies niet altijd een promotie na jarenlang deel uitgemaakt te hebben van de wetgevende macht. Eén is wethouder geworden, één dijkgraaf, één is commissaris van de koningin geworden – al was hij, VVD’er Johan Remkes, eerder minister. Dat kan geholpen hebben.

Waarom ze niet in de Kamer zitten? Het is de schuld van de partij – te laag op de lijst gezet – of van de kiezer. Maar klagen over het verloop van hun carrière doen ze niet. Voor elke respondent die zegt dat het tegenvalt, zijn er drie die zeggen dat het meevalt, met de nieuwe loopbaan. En voor elke oud-parlementariër die zegt dat het Kamerlidmaatschap de zoektocht naar een baan „in de weg heeft gezeten”, zeggen er twee dat het juist „geholpen” heeft.

Toch past enige relativering. Kamerleden schort het namelijk aan nogal wat, zeggen ze zelf, en dat wreekt zich nu. „Politiek gevoel”, om te beginnen. En dan volgt een hele lijst. „Kennis en visie.” „Opofferingsgezindheid”. „Inhoudelijke kennis.” „Diepgang, eigen ideeën.” „Ruggegraat, geduld.” „Bescheidenheid.” „Echte betrokkenheid.” Of, anders gezegd: „Helaas ontbreekt het parlementariërs steeds meer aan juridische kennis en voldoende relevante levenservaring.”

Concreter dan. In 2008 werd in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten onderzoek gedaan naar de carrières van voormalige Kamerleden. Werkgevers gebruikten toen de volgende termen om de volksvertegenwoordigers te beschrijven: lastig aan te sturen; geen goede teamspelers; niet commercieel ingesteld; kunnen wel goed netwerken; zijn strategisch sterk en diplomatiek.

Van de negatieve kwalificaties kunnen de oud-Kamerleden in deze rondgang zich alleen vinden in ‘lastig aan te sturen’. Dat wordt acht keer genoemd. Even zo vaak vinden ze zichzelf juist diplomatiek, tien keer in staat om te netwerken en twaalf keer strategisch sterk.

Een VVD’er vinkt geen enkele van de eigenschappen aan. Wat dan wel? Enige zelfreflectie. „Ik kan mijn gezond verstand goed gebruiken.”