Waar je de herinnering aanraakt

‘Alles rondom verandert, en alles blijft hetzelfde”, zong de Griekse zanger Nikos Papázoglou op de cd die ik van hem draaide. Het is een lichte variant op het bekende plus ça change, plus ça reste la même chose. Ik draaide Papázoglou omdat ik hem graag hoor, maar ook omdat hij niet zo lang geleden overleden is. Dan wil je altijd even extra goed voelen wat je mist.

Zong hij de waarheid? Mensen zeggen zulke dingen graag. Het klinkt erg wereldwijs. Als je aan het grote geheel denkt – aan technologische vooruitgang, grotere gezondheid – is het niet waar. Alles is echt heel anders dan vroeger. Het maakt veel verschil of ziekten een doodvonnis zijn of te behandelen, zoals het ook veel verschil maakt of je iemand aan de andere kant van de wereld gewoon even kunt spreken, direct, of dat je twee maanden moet wachten voordat zijn antwoordbrief kan arriveren.

Tegelijkertijd denk je vaak, als je iets leest uit vroegere tijden: alles is nog precies hetzelfde. Ik voel nog net zo als de mensen van eeuwen geleden.

Dat zal wel een gedeeltelijke vergissing zijn. Je weet niet precies wat mensen toen voelden. Ik las onlangs weer eens de oudste tekst die we kennen, het Gilgamesj-epos. Sommige gedeelten daarvan dateren van 2100 voor Christus. Enkidoe, een sterke jonge man, wordt getroffen door een dodelijke ziekte en is stervende. Hij klaagt tegen zijn vriend Gilgamesj, die als een broer voor hem is: Bij de doden zal ik zijn; de drempel van het dodenrijk overgaan. / Ik zal nooit meer mijn blik laten rusten op mijn geliefde broer. Die eenvoudige mededeling treft nog steeds doel, al denken wij – en dat is misschien toch wel weer een cruciaal verschil – niet meer dat een dodenrijk bestaat waar de doden bij elkaar verblijven in het donker.

De rouw van Gilgamesj na Enkidoes dood begrijp je ook. Steeds herhaalt Gilgamesj dezelfde woorden, keer op keer, over zijn vriend die er niet meer is, die hij mist: Hoe zou ik kunnen zwijgen, hoe het voor me houden: / de vriend van wie ik hield is tot aarde geworden.

Dat is verschrikkelijk. Hij moet het steeds weer zeggen, juist omdat het verschrikkelijk is. Zo gaat dat met het verwerken van pijnlijke dingen. Ze moeten steeds weer worden herhaald, vaak tot in veel te veel details ook nog, om er greep op te krijgen. Gilgamesj vertelt elke keer dat hij zes dagen en zeven nachten heeft staan schreeuwen bij het lijk van Enkidoe, totdat de wormen uit zijn neus vielen. Dit detail is te gruwelijk, maar wordt onschadelijk gemaakt door herhaling.

Dit zou je nu zeggen. Waarschijnlijker is dat de herhaling in het epos meer te maken heeft met de mondelinge voordracht dan om zo’n psychologisch proces uit te beelden. Je begrijpt dus iets wat er helemaal niet in zit. Het is wel degelijk anders daar in het verleden.

Maar ook niet. Voor Gilgamesj geldt een regel van de eveneens Griekse dichter Jorgos Seféris: overal waar je de herinnering aanraakt doet ze pijn.

Alles verandert, maar zulke zinnen kunnen hetzelfde blijven. Ze blijven alleen niet op dezelfde manier waar in ieders persoonlijk leven. Daarin veranderen gevoelens wel.

Wonderlijk mooi las ik dat beschreven in de meeslepende roman Het grote zwijgen, van Erik Menkveld. Dat boek gaat over heel veel, over muziek en kunst en begeestering en oorlog, over het hele menselijk leven, en dus ook over liefde en tijd.

De componist Diepenbrock is verliefd op een jonge vrouw. Hij heeft een affaire met haar, maar moet haar loslaten. Hij is getrouwd en wil dat blijven. Beiden lijden onder de scheiding, aanvankelijk pijnlijk en hevig – nee, onveranderlijk pijnlijk en hevig, denkt Diepenbrock. Als hij Jo na jaren nog weer een keer heeft gezien en weer heeft gevoeld hoe hij van haar houdt, onveranderlijk, beseft hij ineens dat hij eigenlijk niet de Jo mist van wie hij net afscheid heeft genomen, de vrouw die verder heeft geleefd in een ander leven dat hij niet kent en waarvan hij geen deel uitmaakt. Hij mist „vooral de Jo die bij hem is in alles wat hij doet.” De Jo die bestaat in de herinneringen die hij heeft aan hun samenzijn. „De Jo die niet meer bestaat.”

In het klein verandert alles en blijft niets la même chose. Herinneringen die eerst pijn deden, overal waar je ze aanraakte, zijn op een dag te benaderen. Gilgamesj, die in wanhoop op zoek gaat naar de onsterfelijkheid en die iedereen lang onderhoudt over zijn verloren vriend, keert op een dag terug naar zijn stad, zonder vriend, zonder onsterfelijk te zijn geworden. Hij zegt tegen de man met wie hij is teruggereisd naar zijn stad: kijk naar mijn stad. Bekijk alles goed. Dit is het wat ik gemaakt heb.

Niets is veranderd, maar alles is veranderd. Het is hetzelfde van vroeger, maar in een totaal andere belichting.