Vrijheid en verzet na de oorlog

Als regering en parlement hun wet tegen verjaring van zware misdrijven deze week al in het Staatsblad hadden gekregen, zouden we misschien nooit hebben geweten dat op 1 maart 1946, toen Nederland al bijna een jaar was bevrijd van de Duitse dictatuur, de ene verzetsheld de andere verzetsheld gewoon koelbloedig kon liquideren. Dan zou Atie Visser vermoedelijk niet hebben opgebiecht dat zij het was geweest die ingenieur Felix Guljé in zijn huis in Leiden uit de weg had geruimd.

De onthulling van deze afrekening spreekt tot de verbeelding. Atie Visser, tijdens de bezetting actief voor de Landelijke Knokploegen die gewapend verzet niet schuwden, wist niet dat Felix Guljé in de oorlog zijn bouwwerkzaamheden voor de nazi’s als dekmantel gebruikte om Joden te helpen. En ze wilde het ook niet precies weten. Guljé was een collaborateur en moest dus dood. De zuivering van Nederland kon maar beter niet worden overgelaten aan de justitiële autoriteiten.

Dit noodlottige misverstand hoeft geen verbazing te wekken. Er zijn vele studies, romans en films verschenen over deze moeilijk te doorgronden dialectiek van goed en kwaad tijdens de oorlog. Denk aan de romans van Vestdijk, Hermans, Mulisch in Nederland. Of aan de film van Spielberg over Schindler, die Joden redde door te doen alsof hij voor de Duitsers werkte.

Ook de geschiedenis van het verzet en de zuiveringen na de oorlog is nauwgezet onderzocht. Na de bevrijding werd er slechts beperkt schoon schip gemaakt, zoals de jurist Belinfante in 1978 beschreef in zijn boek ‘In plaats van bijltjesdag’. Omgekeerd bleef het verzet lang leven in de sferen van de illegaliteit. Het verzet werd niet alleen door patriottisme gedreven maar ook door een bijna anarchistische vrijheidsbeleving, waarbij politieke doelen en particuliere driften door elkaar heen liepen.

Die houding verdween na 5 mei 1945 niet op stel en sprong. Ook al omdat veel antifascisten tijdens de oorlog relatief jong of ongebonden waren. Ze wisten niet beter dan dat het normaal was een pistool op zak te hebben. Het besef dat een liquidatie tijdens de bezetting een verzetsdaad was, maar daarna eigenrichting, drong pas later door.

Of helemaal niet, zoals gisteren bleek uit het interview dat de EO had met de intussen 96-jarige Atie Visser. Ze leek helder van geest en wekte niet de indruk veel wroeging te hebben over het feit dat ze een man had vermoord die, net als zij, aan de goede kant had gestaan van de streep tussen collaboratie en verzet. Het bewustzijn dat het recht zijn loop moet hebben – en in een vrije samenleving dus niet in eigen hand mag worden genomen – is niet zo vanzelfsprekend als we zouden willen. De rechtsstaat is geen simpele druk op de knop. Ook niet in Nederland.