Partijtwisten

Toen mijn vrouw gisteravond thuiskwam, probeerde ik haar voorzichtig duidelijk te maken dat Job Cohen, de leider van haar partij, weer eens onder vuur lag, nu in de PvdA zelf. Ik liet haar een artikel in Het Parool zien onder de kop „Hoe lang moet Job Cohen nog doormodderen in de Kamer?” en ik kondigde het interview met ex-partijvoorzitter Michiel van Hulten aan, later op de avond bij Knevel & Van den Brink.

Ze toonde zich in het geheel niet geamuseerd. „Het houdt jou wel bezig”, zei ze.

„Don’t shoot the piano player”, zei ik, mijn favoriete citaat uit de vaderlandse geschiedenis als ik me uit netelige situaties moet redden.

Ze schudde haar hoofd. „Ik begrijp jullie van de media niet. Laat die man nou rustig zijn werk doen en beoordeel hem dán. Wat heeft Van Hulten te zoeken bij die glibber van een Knevel? Die zal wel weer zitten glunderen en dan wat oude stotterfilmpjes van Cohen laten zien.”

Het moet gezegd, zij het met tegenzin: het kwam precies zo uit. Knevel kwijlde van calvinistisch leedvermaak en de filmpjes waren al klaargezet. En Van Hulten intussen maar leeglopen: het zou nooit meer wat worden met Cohen, hij voelde zich geroepen dit in alle openheid te zeggen, het moest afgelopen zijn met alle stiekeme kritiek, jammerjammer, maar het was niet anders.

Ik maakte ijverig mijn aantekeningen – de pianist doet vingeroefeningen – terwijl aan de rand van mijn blikveld zich iets voltrok wat weerkundig vergeleken kon worden met de wording van een tornado. Met reusachtige snelheid kwam een grote woede op ons afgewerveld.

Het gebeurde toen Mei Li Vos, ook gast in de uitzending, Van Hulten vroeg wat zijn alternatieven waren indien Cohen zou opstappen. Hij begon daarop de halve fractie van de PvdA op te noemen, van Plasterk tot Dijksma. „Toemaar”, riep mijn vrouw, „ga door, zijn we nog iemand vergeten? Het ene briljante talent na het andere. Waar wachten ze in de PvdA nog op? Doe Job maar op de schop! Sharon Dijksma staat klaar. Alles komt goed.”

Het werd gevaarlijk voor Van Hulten, ik deed nog een uiterste poging hem uit de razende wind te houden. „Die man doet zijn best, hij durft tenminste zijn nek uit te steken, dat kun je van de meesten niet zeggen.” Maar er was geen redden meer aan. „Van Hulten?” zei ze, „volkomen mislukt als partijvoorzitter, een waardeloze verkiezingscampagneleider, waaraan ontleent zo’n man het prestige om zulke uitspraken te doen?”

„Je mag toch wel kritiek op het functioneren van Cohen hebben?”

„Dat hou je intern, zoals Mei Li Vos terecht zegt, daar ga je niet mee naar de EO, en zeker niet in zulke moeilijke tijden. Bij het CDA vallen ze nu toch ook niet Verhagen aan?” En na een korte stilte: „Ik weet niet of ik bij een partij moet blijven waar mensen elkaar zó afmaken.”

Ik liep naar mijn werkkamer. „Even mijn aantekeningen uitwerken.”

„Ik wil niet dat je quotes van mij gebruikt”, zei ze, „ik wil met dit hele gedoe niets te maken hebben.”

„Persvrijheid!” riep ik en ik begon te tikken.

De volgende morgen bij het ontbijt. De storm was afgenomen, maar nog niet helemaal geluwd. Toen kwam Cohen, opmerkelijk zelfbewust, voorbij in enkele nieuwsflitsen op tv. Hij had in de Tweede Kamer tegen Rutte ferme taal gebezigd over de bezuinigingen.

„Diederik Samsom moet toch nog maar even wachten”, zei mijn vrouw en ze besmeerde tevreden een beschuitje met rode jam.