Hoe vier grote jongens uw zorg gaan verkavelen

Het zijn pre-revolutionaire tijden in de Nederlandse gezondheidszorg. In de achterkamertjes van de Haagse macht maken technocraten en politici de weg vrij voor de nieuwe werkelijkheid: alle macht aan de zorgverzekeraars.

Twee trends spelen de verzekeraars in de kaart. De eerste is de onmacht van achtereenvolgende ministers van Volksgezondheid en van Financiën om de zorgkosten binnen de krijtlijnen te houden die zij zelf trekken. Zorg is een onverbiddelijke groeisector, in geld, banen en maatschappelijke en dus politieke relevantie. Overal ter wereld zoeken politici naar de gouden tip, niet om de kosten te beheersen, maar de kostenstijgingen. Dat is het hoogst haalbare.

Nederland heeft onder aanvoering van VVD-minister Hoogervorst in 2006 gekozen voor een systeem, waarbij de overheid de kwaliteitsverhoging en kostenbeheersing in de gezondheidszorg in essentie uitbesteedt aan particuliere verzekeraars. Maar nu moet het ook gaan werken. Om de kostenoverschrijdingen te beteugelen wil minister Schippers van Volksgezondheid (VVD) afspraken maken met de zorgverzekeraars.

De verzekeraars moesten aan hun regierol wennen en deden wat bedrijven graag doen om onzekerheden te verminderen: fuseren. Vier partijen (Achmea, Uvit, CZ en Menzis) hebben nu 90 procent van de markt. Uit onderzoek van het Centraal Planbureau blijkt ook dat de garanties in het zorgstelsel voor verzekeraars in het voordeel werken van grote partijen.

Concurrentiewaakhond NMa, de Nederlandse Mededingingsautoriteit, heeft geen moeite met hun fusies, in tegenstelling tot schaalvergroting in de geestelijke gezondheidszorg of bij regionale ziekenhuizen. De NMa gaf vorige week nog haar fiat voor de overname van regionale verzekeraar De Friesland door landelijk marktleider Achmea, dat naast zijn eigen naam ook merken voert als Avéro, Agis, Centraal Beheer, FBTO, Interpolis en Groene Land. Het marktaandeel in Friesland ligt na de combinatie tegen 80 procent, een quasi-monopolie.

Zorg verzekeren is in de NMa-visie een landelijke markt. Een ontevreden consument kan elk jaar wisselen en er blijft genoeg concurrentie. De NMa kan met wat goede wil zelfs de volgende fusies verdedigen waarna één landelijke zorgverzekeraar overblijft. De angst voor reputatieschade zal, volgens de NMa-doctrine, die monopolist-verzekeraar in toom houden om consumenten lelijk te behandelen. Potentiële onvrede onder klanten kan altijd potentiële nieuwe toetreders op de markt brengen. Bovendien heeft de monopolist dan de ultieme onderlinge afhankelijkheid met de zorgaanbieders, zoals ziekenhuizen en huisartsen. De verzekeraar heeft de nodige macht om als inkoper van zorg veranderingen op te dringen. Maar zorgaanbieders hebben de nodige tegenmacht. Zij hebben een betere vertrouwensrelatie met hun patiënt. En zij weten dat de verzekeraar wegens diens zorgplicht zijn klanten niet in de kou kan laten staan en met zorgaanbieders contracten moet afsluiten.

Tot zover de theorie. De praktijk is dat zorgverzekeraars de ziekenhuiszorg gaan verkavelen, zoals bestuursvoorzitter Diana Monissen van De Friesland zaterdag uitlegde in deze krant. Niet elk ziekenhuis doet meer alles, sommige zijn beter en zij krijgen het contract. En voor die betere zorg moeten sommige consumenten verder reizen. Als ziekenhuizen zulke samenwerking en onderling afgestemd gedrag zelf willen regelen, krijgen zij met de NMa te maken. Maar als de verzekeraar het met de ziekenhuizen regelt heet dat zorginkoop. Dat is wat de wetgever wilde. Daar komt geen NMa aan te pas. En ook geen minister.

Menno Tamminga