'Hallo, ik ben dus Ruth', zegt ze

CDA-voorzitter Ruth Peetoom trekt door het land om haar partij weer op één lijn te krijgen. „Je vraagt: is het nog leuk? Nee. Dit is niet meer leuk.”

Ruth Peetoom, voorzitter van het eens zo machtige CDA, loopt een kerk in Leeuwarden binnen en duikt met haar hoofd in een gat in de muur. Daarachter legt een nietsvermoedende koster koekjes op schoteltjes. Ze zegt: „Hallo, ik ben dus Ruth.”

Een andere keer worstelt ze zich in een benauwd zaaltje van een provinciehuis tussen de ronddraaiende bureaustoelen door en zegt opgewekt: „Wij kennen elkaar nog niet hè.” Handen worden geschud, sommigen krijgen een zoen. De gastheer becommentarieert dan vol verbazing: „Zoveel makke CDA’ers heb ik nog nooit in één hok gezien.”

Die gelatenheid is dan ook uitzonderlijk. Want de partij die Ruth Peetoom moet gaan redden is een jaar na de meest desastreuze verkiezingen ooit, nog volop in verwarring. De 43-jarige gereformeerde ex-predikante moet voorkomen dat het CDA, decennialang de machtigste van het land, verwordt tot een marginale politieke stroming. Nogal een taak.

Partijvoorzitters hebben in Nederland meestal een organisatorische functie – denk aan de ledenadministratie – en veel partijpolitieke macht hebben ze niet. Peetoom wel. Bij gebrek aan een duidelijke partijleider, kroonprins of een Tweede Kamerfractie die van zich af bijt, heeft de twee maanden geleden door de leden zelf gekozen Peetoom de unieke positie om in te grijpen. Om een koers te kiezen voor de regeringspartij. De beschadigde organisatie een ingrijpende make-over te geven.

Dus trekt Peetoom door het land voor „snelkookpansessies”. Ze besteedt een dag aan een provincie – voor de zomer moet ze klaar zijn – en voert daar op hoog tempo gesprekken met de regionale CDA-machthebbers, schooldirecteuren en zorgbestuurders. Vanwege de snelheid en het rauwe karakter zijn dit misschien weinig subtiele dagen, „heel efficiënt” zijn ze zeker.

Gewoonlijk worden journalisten bij dit soort bezoeken geweerd, maar in een hernieuwd CDA-streven naar openheid mocht deze krant mee. Twee volle dagen, naar Leeuwarden en Hellevoetsluis. Twee dingen worden al snel duidelijk: CDA’ers zijn nog steeds woedend en Ruth Peetoom knikt veel.

Neem een van de bijeenkomsten in Friesland, twee weken terug. In de Kurioskerk zitten bijna vijftig mensen aan tafels met gelige kleedjes. De Harde Kern. Grijze koppen, mannen vooral, bozige vragen.

„Die mensen in Den Haag – wanneer houden ze hun mond nou eens en gaan ze luísteren?”

„Landelijke CDA’er staan vol achter het bezuinigingsbeleid, maar heel veel mensen worden er hier werkloos door.”

„Ik word er gewoon boos van, kwaad als de hel. Wij gaan bezuinigen op de kleine man maar als CDA gaan we kapot en we geloven elkaar niet meer.”

„Wij zijn gevangenen geworden bij het CDA. Niet van het kabinet, maar van onszelf.”

Op dit soort momenten laat Ruth Peetoom zien hoe ze het CDA weer relevant wil maken: door mee te bewegen. Ze knikt, sust, negeert verwijten, praat met haar critici mee. Als een lokale fractievoorzitter haar bijvoorbeeld verwijt dat „het gewoon niet meer leuk is”, zegt ze dit: „Je vraagt: is het nog leuk? Nee. Dit is niet meer leuk.” De vragensteller is tevreden. Dat wilde hij horen.

En als de tegenstand daarna weer oplaait, loopt ze al knikkend naar voren, richting de mensen. „U zag mij al gaan staan”, zegt ze dan, zo vriendelijk als maar kan. „En ik ben hartstikke blij met uw betrokkenheid. U bent stekelig, zo ken ik mijn Friezen: dat is een manier om te laten zien dat iets u aan het hart gaat. Wij moeten als CDA niet kijken naar wat de regering allemaal doet. De bal ligt bij óns, als partij. Daarom, we moeten het met elkaar doen. Ik heb u nodig.”

„Inderdaad!”, roept de meest boze man dan, uit het niets opgelucht. „Dat bedoel ik!”

Maar wat wíl Peetoom eigenlijk? Vraag het haar en ze zegt „nieuwe wegen kiezen”, „een brug slaan”, „met elkaar”, „vertrouwen winnen” en „verbinden”. In één zin. „Voor de toekomst die nu begint.”

Verwacht van haar nog even geen antwoorden. De partij begint een reeks debatavonden. Er is een groepje denkers aangesteld om nieuwe woorden te bedenken voor traditionele begrippen als ‘rentmeesterschap’. En Peetoom heeft deze week een commissie ingesteld, het zogeheten Strategisch Beraad, dat de koers voor de komende vijftien jaar moet uitstippelen. Daarin zitten opvallend genoeg ook een paar leden van het Slangenburgberaad, een groep CDA’ers die zich tot nu niet gehoord voelden binnen de partij en online via een afgesloten praatgroep met elkaar discussieerden.

Is het genoeg om het verdeelde kader van de machtspartij weer te verenigen? Een jaar aan veenbranden bij het CDA heeft veel mensen beschadigd, en niet zonder reden voert Peetoom het ene na het andere gesprek met afvallige leden.

Maar niet iedereen valt voor haar. „Ik vind het verhaal van mevrouw Peetoom wat gelaten”, zei een CDA-bestuurder in Leeuwarden. Een ander zei het deze week in Hellevoetsluis zo: „Je komt, laat ik het zo maar zeggen, vrij lief over.”

Dat is dan maar zo, had ze ’s middags, wandelend over de vestingwallen, al gezegd. „Ze krijgen me zoals ik ben.” Maar ze kan echt wel hard zijn, beweert ze. „Ik heb weleens gelijk gekregen op de niet-sympathieke manier.” Wanneer wil ze alleen niet zeggen.

Later die avond ontaardt een bijeenkomst van ruim vijftig CDA’ers in een Poolse landdag. De tientallen bezoekers buitelen over elkaar heen met wanhopige suggesties die de partij weer relevant moeten maken.

„We moeten ons populistischer opstellen. Dat wil de kiezer.”

„De Kamer moet de kiesdrempel verhogen om de stemmen van kleine christelijke partijen terug te sluizen naar het CDA.”

„We moeten een tweepartijenstelsel hebben.”

Maar dan ontstaat rumoer in de zaal. Wacht even, roept iemand, is dat wel slim? Want wie garandeert dat het CDA nog bij de twee grootsten hoort? Dan zegt Peetoom maar eens wat zij vindt van die teruglopende zetelaantallen: „Het CDA spreekt mensen op dit moment niet meer aan. Ik denk dus zelf dat wij nooit meer op de 54 zetels uit de tijd van Lubbers komen. En dat moeten we dus ook totaal niet als ambitie hebben. Ons doel moet zijn dat we een authentieke boodschap hervinden, niet een bepaald aantal zetels. Laten we tevreden zijn met een bescheiden rol.”

De moeilijkheid van het CDA nu, de reden waarom de partij in peilingen is weggezakt tot de zesde plaats, is dat de winkel verbouwd moet worden terwijl de zaak open blijft. Peetoom bedoelt: we willen regeren terwijl de boel intern niet op orde was.

De Tweede Kamerfractie is stil en laat zich onvoldoende zien, geeft ze toe, maar dat is niet erg. Dat kost tijd. De makke van deze redenering is, zo snapt ze, „dat kiezers willen dat alles bij elke volgende verkiezing geregeld is. Dat het land op orde is. Dat kan niet, dus moet je dat uitleggen. En dan zeg ik: probeer het eens met de waarheid.”

De samenwerking met islamcriticus PVV verdeelt het CDA nog steeds. Peetoom was tegenstander, maar ziet de coalitie nu als een gegeven. Op het uitsluiten van anderen op basis van geloof reageert ze alleen wel geprikkeld, telkens weer. Daarvoor weet ze te veel van religie, zegt ze dan.

Er zijn mensen binnen het CDA – zoals vicepremier Verhagen – die zeggen dat de multiculturele samenleving „mislukt” is. Peetoom neemt afstand van hem. „Ik zeg: het is er gewoon. Laten we ons er rekenschap van geven dat we er samen zijn. En dat anderen ook gemeenteraadslid kunnen worden.”

Als volleerd politica vertelt ze op verschillende plekken telkens dezelfde verhalen. Zoals die over het bezoekje van een basisschoolklas aan haar Utrechtse kerk, toen ze als predikante nog een toga droeg. „Staat er zo’n klein moslimmeisje op, groep zeven. ‘Jij mag helemaal niet doen wat jij doet’, zei ze. ‘Want jij bent een meisje’.” Peetoom: „Nou, dat vinden ze hier dus wel.”

En daar stopt het verhaal. Het is een typische Ruth Peetoom-anekdote: ze verbindt er geen conclusies aan, iedereen kan zijn eigen gelijk erin terugvinden. En het is toch persoonlijk genoeg om je begrepen te voelen. De partij doet misschien raar, kunnen CDA’ers denken, maar zíj snapt mij.