Eindelijk thuis

Nu is ook Patrick Kluivert institutioneel geworden. Officieel benoemd tot coach van het beloftenteam van FC Twente. Dus lid van de deftigste club van Nederland. Waar het ereterras nog de allure van een waterscheiding heeft.

Het voelt als thuiskomen, zegt hij zelf.

En hij heeft wat afgezworven, deze gewezen centrumspits. Tot in het barre Lille probeerde hij zijn goddelijke carrière met nog enige luister af te ronden. Bij Newcastle en Valencia lukte het niet. PSV was een tussendoortje voor drinkgeld.

Intuïtief slim als hij is, wist hij ook: op een dag word je door geluk overreden. Alla, maar dan wel mét bal. Je zag hem de laatste tijd almaar ronder worden – opgeblazen wangen, lichaam zonder rek. Levensvreugde hield ook niet over in het bijstandsgekreun met de spitsen van NEC. Anderhalve week geleden riep hij nog dat hij graag in de technische staf van Ajax zou worden opgenomen. Het klonk als een noodkreet.

Ambitie als grimas.

Patrick Kluivert: jarenlang schitterende speelvogel van Ajax, Barcelona en Oranje. Een scoringsmachine en toch sociaal, met gracieuze egards zelfs. Hij kon kaatsen en assisteren, ruimte trekken en soleren. Eigenlijk best een teamspeler. Sierlijker dan Kluivert hebben ze het in de spits bij Ajax en Oranje niet meer gehad. Dodelijker ook niet. Op zijn mooist was hij als schicht bij avondlicht. Onnavolgbaar, met de valse traagheid van de tropen in zich. Sluipend het paradijs tegemoet.

Gebeeldhouwd in trots.

En dus in de jaren negentig ook lid van de fameuze kabel. Maar anders dan Davids, Seedorf, Bogarde en Reiziger maakte hij er geen averechtse hoogmis van. Niet die gebalde dissidentie. Misschien ook omdat hij jonger was en plezier in het leven nog vóór enig ideologische of nationalistische sentiment ging. Je zag hem ook altijd met Hollandse meisjes.

Te vroeg miljonair geworden, zeker. Te weinig in bescherming genomen, allicht. En: doodgeknuffeld. Toen Ajax de Champions League had gewonnen, werd moeder Kluivert op Schiphol naar de vliegtuigtrap geroepen om zoonlief publiekelijk en exclusief te omhelzen. Heiligenlevens in elkaars armen voor het oog van de wereld – de ellende kon niet wachten.

Ineens werd het wereldwonder nagewezen als doodrijder en verkrachter. De demonisering deed zijn zilveren scoringsdrift niet echt haperen. Zijn napijn leek abstract. Maar op een avond in Valencia zei hij toch: „Het hart heeft blaren die niemand kent. Ik kan daar niet over spreken.”

Hij was een ster in Barcelona, historische topscorer zelfs, en toch liet hij zich een nachtclub aanpraten. Die bestaat nog steeds, zij het in kwijnende toestand. Misschien opende het casinovoetbal wel te veel – ook duistere – deuren voor de jonge halfgod. Wie weet wat Wesley Sneijder niet allemaal wordt aangepraat. Op zijn minst een limousine of tien.

Van Patrick Kluivert kun je zeggen: het lichaam als kunstwerk. Niet zo’n gestuikte kompel uit Argentinië. Beangstigend was altijd zijn intrede op het veld. Die bravoure in de schouders, die hitte in de ogen, die staalharde mond. En vervolgens, binnen het kwartier, ontdooide het gevaarte in een nimfachtige speelsheid. Wel nog de wil om te doden.

Het gaat snel in voetballevens. Patrick Kluivert wordt nu in Enschede met Meneer of Mister aangesproken. Straks zien we Edgar Davids met een gouden leesbrilletje rondlopen. Als dat geen lichaamsuittreding is…

De enige die niet verandert, is Bert van Marwijk. Of hij nu in Rio of in Noordwijk zit: een gestold leven. Niet kreupel te slaan, niet te verleiden tot pirouettes.

En aan strandmeisjes doet hij ook niet.