Een hoofddoek is nog geen ‘nee’ tegen integratie

Het boek Mijn vader had een Afro beschrijft hoe migranten uit Marokko zich de afgelopen decennia kleedden.

Er zijn veel redenen om er Marokkaans of juist niet-Marokkaans uit te zien.

Is de oudere Marokkaans-Nederlandse man die in een djellaba over straat loopt geïntegreerd?

En de vrouw in zwart gewaad met een hoofddoek tot haar middel? Die Marokkaans-Nederlandse jongen in zijn zwartleren jack met bontkraag? En het meisje in de skinny spijkerbroek, haar blote voeten in sandalen, met lichtblauwe hoofddoek achterin haar nek geknoopt?

Hoe ‘Marokkaanser’ gekleed, hoe minder geïntegreerd, lijkt het. Maar dat klopt lang niet altijd, laat Aniek Smit zien in haar boek Mijn vader had een Afro!. Ze beschrijft hoe Marokkaanse migranten in Nederland zich kleden sinds de jaren zestig. In de praktijk zijn er vele motieven om er Marokkaans of juist niet-Marokkaans uit te zien.

Historicus Smit probeerde die motieven achter kleedgedrag van migranten te achterhalen via interviews met hen en afbeeldingen. Ze bestudeerde vooral privéfoto’s en foto’s uit het Historisch Beeldarchief Migranten. „Huis-tuin-en-keukenkiekjes geven een reëler beeld van de kleding dan foto’s van stereotiepe Marokkanen in de media”, zegt ze.

Etnische kleding, schrijft Smit, kan worden afgeworpen om succesvol mee te draaien in de nieuwe samenleving. De mannen die in de jaren zestig en zeventig naar Nederland kwamen om te werken, zagen er al snel Nederlands uit. Sidi, een geïnterviewde die in 1969 uit Fes naar Nederland kwam, zegt daarover in het boek: „Een man of twintig had een djellaba aan toen wij hier aankwamen. Nou, dat was binnen de kortste keren afgelopen, echt! Ik denk door de reactie... ja. Die denken: iedereen loopt hier strak in de kleding, waarom zou ik in een jurk gaan rondlopen.”

In het boek staan foto’s van Marokkaanse jonge mannen die de gangbare Nederlandse jongerencultuur in die tijd overnemen. Ze dragen broeken met wijd uitlopende pijpen en korte leren jacks. Ze kleedden zich als de autochtone jongeren.

Maar zo Nederlands als ze er uitzagen waren ze toch minder ‘Nederlands’ dan de Marokkaans-Nederlandse jongeren van nu die hier zijn opgegroeid. Zij onderscheiden zich juist graag met een eigen stijl: van achteren opgeschoren haar en donker jack met een rand konijnenbont langs de capuchon.

In de jaren daarna, als veel mannen hun vrouwen laten overkomen, tonen oude foto’s traditioneel geklede vrouwen, in lange jurken en met hoofddoek. Maar er zijn ook veel modern geklede vrouwen, met korte rokken, bloesjes met korte mouwen en onbedekt hoofd. Het hing er maar net vanaf waar ze vandaan kwamen. Migranten uit de stad waren meestal meer westers gekleed dan migranten van het platteland. Hun kinderen zouden zich later verbazen: „Toen waren ze echt jong en modern [...] Nu zegt mijn moeder: ‘Niet zo strak hè!’ Dan zeg ik: ‘Maar dat deed jij zelf ook!’ ”

Uit vrijwel alle onderzoeken blijkt dat de integratie van immigranten langzaam maar gestaag vordert, bij Marokkanen nog meer dan bij bijvoorbeeld Turken. In scholing, taalvaardigheid, arbeidsparticipatie, contacten met andere groepen. Tegelijkertijd is de kleding etnischer geworden. Tussen 1965 en 2010, de periode die Aniek Smit in haar boek beschrijft, zijn de Marokkaanse migranten zich wat betreft hun kleding steeds meer gaan onderscheiden. Meestal wordt dat uitgelegd als een krimpend verlangen naar integratie: Marokkanen probeerden jarenlang zich aan te passen, werden niet geaccepteerd door de Nederlanders en trokken zich terug in de eigen groep. De hoofddoek van de Marokkaans-Nederlandse vrouwen, wordt in politieke debatten steeds genoemd als voorbeeld van gebrek aan integratie.

Maar de werkelijkheid is gecompliceerder. Leeftijd, mode, opvattingen over kleding in het land van herkomst, sociale druk vanuit de Marokkaans-Nederlandse gemeenschap – het zijn allemaal aspecten met invloed op het kleedgedrag.

Marokkaanse Nederlanders zijn zich zeer bewust van het effect van hun kleding op Nederlanders. Ook de Marokkaanse mannen in djellaba, die vaak afkeuring ontmoeten. Maar ze zien dat als hun eigen bewuste keuze. Een oudere migrant zegt in het boek dat dat juist op integratie wijst. „Die man voelt zich hier zo thuis dat hij nu gekleed durft te gaan in zijn oorspronkelijke kleding.” Zelf past hij zijn kleding wel aan Nederlandse maatstaven aan, zoals velen. Zij zijn er kien op dat ook hun kinderen ‘Nederlands’ en netjes gekleed gaan. Zij willen discriminatie voorkomen en zijn zich ervan bewust dat veel Nederlanders traditionele kleding associëren met de orthodoxe islam.

Het viel Smit op hoe flexibel vooral Marokkaanse Nederlanders van de tweede en derde generatie hun kleding aanpassen aan de omstandigheden. De eerste Marokkaanse arbeiders kleedden zich Nederlands. En, vooral later, traditioneel. Ze maakten een keuze. Nu kleden de tweede en derde generaties zich westers op het werk, op een Marokkaans feest traditioneel feestelijk en op vakantie in Marokko gaat weer andere speciale kleding mee. „Mijn oma’s wonen in het zuiden”, zegt een geïnterviewde vrouw. „Daar hebben ze hele traditionele klederdracht. Mijn moeder bewaarde dat in een koffertje en als wij het dorpsgebied inreden, kleedden wij ons allemaal om in de auto. Als kind vond ik dat heel normaal, dan pas je je gewoon aan. Ook mijn moeder paste zich aan. Want zij droeg die kleding ook normaal niet in de stad.”

Een geïnterviewde oudere man draagt zijn djellaba alleen naar de moskee, hij vindt dat passen bij moskeebezoek. „Ik ga met de auto naar de moskee. Ik voel me niet op mijn gemak als ik daarmee over straat ga.”

Onder invloed van de grote aandacht de laatste jaren voor etniciteit en afkomst in de Nederlandse cultuur is ‘Marokkaansheid’ nu een mode-element geworden. Want onder Marokkaans-Nederlandse jongeren anno nu is een versimpelde vorm van ‘minderheidskleding’ een trend. Ze geven een eigen twist aan etnische kleding en creëren zo een eigen mode. Die is zo populair, dat reguliere winkelketens als H&M en Zara de kleding inmiddels ook bieden, zoals de wijdvallende tuniekjes die over een broek werden gedragen. Ook autochtone meisjes dragen het. Die mode biedt de mogelijkheid zowel bedekt als modieus gekleed te gaan.

Deze eigentijdse kledingstijl heeft niets te maken met drang tot terugkeer of dwepen met het geboorteland van de ouders, zegt Aniek Smit. En het betekent evenmin dat de dragers zich afzetten tegen de Nederlandse samenleving. Wel lijkt de tweede generatie zich wat betreft kleedgedrag sterk te willen onderscheiden van de eerste.

„Sommigen zijn heel kritisch over het kleedgedrag van hun ouders. Ze zeggen dingen als: „zij dachten dat dat goed was, maar wij kennen de Koran”. Ze benadrukken dat zij als jonge moslims zelf hebben moeten uitvinden welke kleding passend is. En dat het dragen van bedekkende kleding – als ze dat doen – een eigen keuze is.

De eerste immigranten schaamden zich vaak voor hun afwijkende kleding. Maar die wordt door hun kinderen en kleinkinderen nu met trots gedragen, en ze geven er een geheel eigen, Nederlandse draai aan.