'De Franstaligen zijn politiek verblind'

Een jaar na verkiezingen zit België nog zonder regering. Na maanden onderhandelen: ‘Ik kan niet garanderen dat België volgend jaar een nieuwe regering heeft.’

Wouter Beke, de leider van de Vlaamse christen-democraten (CD&V), zag vorige week iets wat hij in geen jaren had gezien: bij de EK-kwalificatiewedstrijd België-Turkije zongen de Rode Duivels het volkslied mee. „Wij zijn daar wel eens om uitgelachen”, zegt Beke, „omdat onze voetballers de tekst niet kennen.”

Maar nu dus opeens wel. Dit weekend is het een jaar geleden dat er verkiezingen waren. Het was een jaar van mislukte onderhandelingen over een andere inrichting van de Belgische staat en een nieuwe regering – van een land waar het Franstalige zuiden en het Vlaamse noorden steeds verder uit elkaar groeien.

Wouter Beke zelf probeerde als ‘koninklijk onderhandelaar’ ruim twee maanden lang om de politici uit Vlaanderen en Wallonië dichter bij elkaar te brengen. Wat denkt hij dan als hij voetballers de Brabançonne ziet zingen? Dat er nog hoop is voor België? Nee. „Ik denk: daar moeten ze het bij de training over hebben gehad. ‘We zingen mee’.”

In het CD&V-kantoor in Brussel, tussen de Europese instellingen en het Belgische parlement, zegt Beke dat het volkslied ook niet zomaar moet worden gezien als „bindend element”. „Dan moet je het al in twee talen kennen. Ik ken het zelf ook niet in het Frans.” En hij zegt: „De identiteitsbeleving in en met ons land is gering.”

Wat zou u hebben gezegd als op 14 juni 2010, een dag na de verkiezingen, iemand had gezegd: ‘Over een jaar hebben we nog geen nieuwe regering’?

„Ik zou het niet voor onmogelijk hebben gehouden. De goegemeente dacht: er zijn twee duidelijke winnaars, de PS (Franstalige socialisten, red.) en de N-VA (Vlaams-nationalisten, red.) en die gaan de klus klaren. De verwachtingen waren opgeklopt. Ik ben zelf nooit meegegaan in dat extreme positivisme. Ook niet in extreem negativisme.”

Heeft België dan volgend jaar een nieuwe regering?

„Dat kan ik niet garanderen.”

Beke legt nog eens uit, zoals Belgische politici nu vaak doen in gesprekken met buitenlanders, dat het geen drama is voor België om zonder volwaardige regering te zitten. Omdat Vlaanderen en Wallonië zelf over het grootste deel van de publieke investeringen gaan. Omdat Europa „op een aantal punten de koers aangeeft”. Omdat er een demissionaire regering is van partijen met een meerderheid in het parlement, onder leiding van Bekes partijgenoot Yves Leterme. „De toestand van deze regering is daardoor minder precair dan in Nederland. Je zou onze regering stabieler kunnen noemen. Wij hoeven niet per onderwerp op zoek te gaan naar meerderheden.”

Vindt u dat de PVV en de Vlaams-nationalistische N-VA van Bart De Wever, de grootste partij in Vlaanderen, met elkaar te vergelijken zijn?

„Nee. Al twijfel ik even. De politicoloog in mij zegt: organisatorisch wel. Het zijn entrepreneurspartijen: ze zijn uit de grond gestampt op basis van politiek ondernemerschap van een paar individuen en surfen mee op de publieke opinie. Maar politiek zal de PVV beter vergelijkbaar zijn met het Vlaams Belang.”

Veel Franstaligen denken dat de N-VA geen akkoord wil. Is het denkbaar dat er een regering komt met N-VA-gedoogsteun?

„Aan Vlaamse kant vinden alle partijen dat de N-VA ín de regering moet.”

Waarom lukt het maar niet?

„Steeds meer Franstaligen komen nu zelf met deze analyse, vorig weekend was er nog een die het op televisie zei: dat ze in 2007 met de voeten van de Vlamingen gespeeld – ze hebben ons niet serieus genomen – en daar nu de prijs voor betalen. Daar ligt het probleem: bij het nee van de Franstaligen in 2007. Op redelijke vragen van de Vlamingen over meer autonomie hebben ze steeds nee gezegd. Door die politieke blindheid worden ze nu geconfronteerd met een grote Vlaams-nationalistische partij, met deels een radicale achterban.”

U zei eerder: „De blinde vrees voor verarming in Wallonië is hét probleem. Die is op het traumatische af.” Hebben Vlamingen daar genoeg oog voor?

„Misschien niet. Maar er zijn misschien ook Franstaligen die niet goed genoeg door hebben dat men met een groter zelfvertrouwen mag spreken. Ik heb er soms moeite mee dat Franstaligen aan de ene kant zeggen dat hun Marshallplan voor de economie in Wallonië een gigantisch succes is, maar dat er aan de andere kant een blinde vrees blijft bestaan om er ook maar één euro op achteruit te gaan als er fiscale autonomie komt voor Vlaanderen en Wallonië.”

Hoe komt dat?

„Dat moet je aan de Franstaligen vragen. Ik zie er geen objectiveerbare redenen voor.”

U wilt het niet begrijpen?

„Als men zegt dat het zo goed gaat in Wallonië dat er via de sociale zekerheid en de ziekteverzekeringen geen geld meer naar Wallonië vloeit, dan begrijp ik niet waarom ze fiscale autonomie niet aanvaarden.”

Een bekende Vlaamse advocaat, Vic Van Aelst, werd laatst lid van de N-VA. In interviews is hij nu volgens sommigen beledigend voor Franstaligen. Hij vindt dat ze ‘nooit enig respect’ hebben voor Vlamingen. Wordt het debat in België grover, zoals in Nederland?

„Je ziet aan Nederland dat je geen spanningen tussen gemeenschappen nodig hebt voor zo’n toon. De finesses in het debat zijn bij jullie ook vaak zoek. Ik heb zelf weinig van doen met dat kaakslagflamingantisme, met het idee dat Vlamingen zich voortdurend misdeeld moeten voelen. Vlamingen behoren tot de rijkste burgers van de wereld, de armoedegraad is de voorbije twintig jaar gedaald, 70 procent van de buitenlandse investeringen die België aantrekt komt naar Vlaanderen.”

Welk beeld in het buitenland is erger: dat van een land dat permanent in een politieke crisis zit en bewijst dat een echte regering misschien niet nodig is, of dat van een land dat zijn oren laat hangen naar een anti-islampartij?

„Dan zou ik moeten kiezen tussen een nationalistische partij of een xenofobe partij. Nationalisme is niet mijn ideologie, maar als het democratisch en open is, vind ik het toch minder erg dan een openlijk xenofobe partij.”

Morgen in Opinie & Debat: Johan Vande Lanotte over de patstelling