Vogelverschrikker in tuin van ABN Amro

Na de privatisering van ABN Amro wil de staat een vijf- procentsbelang behouden. Zitten toekomstige beleggers daar op te wachten?

„Haviken afschrikken.” Dat is het doel dat minister van Financiën Jan Kees de Jager voor ogen staat om, na de beoogde privatisering van ABN Amro, een minderheidsbelang van 5 of 10 procent vast te houden. Buitenlandse opkopers met snode plannen moeten door de blijvende overheidsnavelstreng worden ontmoedigd. Zo zei de bewindsman gisteren in de Tweede Kamer, waar hij de ‘exitstrategie’ van de staatsbank uit de doeken deed. De recente geschiedenis van dezelfde bank leert wat externe partijen met een opsplitsingsscenario kunnen aanrichten.

Zal De Jager met dit voornemen om vogelverschrikker te spelen niet vooral beleggers afschrikken om bij een eventuele beursgang enthousiast in ABN Amro te stappen? Met andere woorden: heeft de minister met zijn opmerkingen gisteren de potentiële opbrengst van de privatisering niet onmiddellijk verlaagd?

„Ik denk het niet”, zegt bankenanalist Cor Kluis van Rabo Securities. „Beleggers en ook wij hadden niet anders verwacht dan dat de Nederlandse overheid altijd een zekere bescherming bij ABN Amro zou inbouwen. Dat is niet zo schokkend. De meeste West-Europese banken zijn heel lastig over te nemen en ook veel andere bedrijven hebben een bepaalde vorm van beschermingsconstructie. Het was pas nieuws geweest als de minister de bank zonder enige protectie tegen ongewenste overnames de markt op zou sturen.”

Roel Beetsma is het daar niet mee eens. De hoogleraar macro-economie aan de Universiteit van Amsterdam gelooft dat elke procent méér aandelen in staatshanden de potentiële beurswaarde zal drukken. „Beleggers kopen met hun aandeel zeggenschap. Op het moment dat een overheid wat van die zeggenschap afhaalt, zullen ze er minder voor over hebben.”

Beetsma bestudeerde met collega Frank de Jong in het verleden de betrokkenheid van de staat als aandeelhouder bij telecombedrijf KPN. De Jong, tegenwoordig hoogleraar financiële markten aan de Universiteit van Tilburg, gelooft dat de waardevermindering van ABN Amro alleen optreedt als er aan het minderheidsbelang van de overheid nog speciale rechten hangen, zoals destijds het zogeheten ‘golden share’ dat de staat in KPN had. Dat gaf de minister van Financiën tot 2006 – ironisch genoeg was dat de huidige ABN Amro-topman Gerrit Zalm – het vetorecht op bepaalde strategische beslissingen. „Als de overheid zich bij ABN Amro als een gewone aandeelhouder gedraagt, zonder voorkeursrecht, zullen andere beleggers zich daar niet aan storen.”

Volgens De Jong is het voornemen van De Jager overigens volstrekt overbodig. „Ongewenste overnames kun je op een andere manier afwenden. Daar hebben we de toezichthouder voor. De Nederlandsche Bank moet de stabiliteit van het financiële stelsel bewaken. Als Den Haag vindt dat dat ABN Amro in 2007 niet is gelukt, zouden ze moeten nadenken of de huidige toezichtswetgeving wel adequaat is.”

Voormalig staatsbedrijf KPN geeft het enige voorbeeld waarbij de nadrukkelijke staatsbetrokkenheid buitenlandse opkopers daadwerkelijk heeft afgeschrikt. Begin 2000 had het Spaanse Telefónica warme belangstelling voor een als fusie verpakte overname van zijn Nederlandse branchegenoot, ter waarde van 60 miljard euro. Telefónica stelde wel de eis dat de Nederlandse overheid het gouden aandeel op termijn zou opgeven. Dat gebeurde niet. Ruim een jaar later ging KPN bijna failliet.

De Spanjaarden moeten ex-minister Zalm nog altijd dankbaar zijn dat zij mede door hem van de overname van KPN hebben afgezien.