Strategisch vacuüm?

Een desintegrerend, laat staan een gedesintegreerd, Europa is niet in Nederlands belang. Daarvoor heeft het de laatste zestig jaar te veel in het project van de Europese eenheid geïnvesteerd en eraan verdiend. Toch moet met deze mogelijkheid rekening gehouden worden. De aanwijzingen in die richting stapelen zich de laatste tijd op. De vraag is voor welke keuzes staat Nederland dan? (Als er een keuze is.)

Met de invoering van de gemeenschappelijke munt had de Europese Unie, althans een deel ervan, haar culminatiepunt bereikt. Daarna begon de aftakeling. Frankrijk en Duitsland zetten het Stabiliteitspact, dat nota bene op Duitse aandrang aan de euro was toegevoegd, naar hun hand. Vervolgens verwierpen Frankrijk en Nederland de Europese ‘grondwet’. Sinds de kredietcrisis van 2008 strompelt ook Europa van crisis naar crisis. Een scheiding tussen een strenger Noorden en een lakser Zuiden tekent zich af.

Vrees voor een vloed van werkzoekenden uit vooral Afrika bracht sommige landen ertoe weer slagbomen aan hun grens te installeren. De groentenbacterie, die misschien helemaal geen groentenbacterie is, leidt tot instorting van de Nederlandse en Spaanse tuinbouw en tot nieuwe inter-Europese animositeit. En intussen zitten we met wat de hoofdredacteur van Trouw „een exploderende euroafkeer” noemt, waar democratisch gekozenen niet met schouderophalen aan kunnen voorbijgaan.

In deze baaierd van onzekerheden en gemelijkheden leek Duitsland een rots in de branding. Sneller en beter dan de Europese landen kwam het de kredietcrisis te boven. Eens te meer bevestigde het zijn naam de motor van Europa te zijn. Nederland, economisch sterk afhankelijk van zijn achterland, profiteerde daarvan. Trouwens, in zijn monetaire filosofie vond het, met enkele andere landen (zoals Finland), in Duitsland ook een bondgenoot.

Des te groter daarom de ontgoocheling in Nederland toen bondskanselier Schröder zich niet hield aan het Stabiliteitspact. Oud-minister Zalm (Financiën, VVD) noemt dit, in een vraaggesprek in de Volkskrant van 3 juni, „de ernstigste aberratie uit de eurogeschiedenis”. Was het een aberratie? Ongeveer tezelfdertijd prees Schröder zijn buitenlandse politiek aan als de „Duitse weg”, wat onheilspellend veel weg had van de gevreesde, Duitse alleingang.

Onder Schröders opvolger, Merkel, leek het sinds 2005 weer de goede kant op te gaan. Duitsland, dat negen buurlanden heeft, leek ook weer meer belangstelling te hebben voor de kleinere onder hen. Daaraan had het onder het koppel Schröder-Fischer nogal eens ontbroken. Merkels sociaal-democratische coalitiepartners leken ook wat afstand te hebben genomen van de politiek van hun ex-bondskanselier, wiens goede betrekkingen met Poetin hem intussen een vette boterham bij Gazprom hadden bezorgd.

Na enkele jaren wisselde Merkel van partner. Nu waren liberalen haar coalitiegenoten. Dat was geen gelukkige keus. Hun leider, Westerwelle, bleek als minister van Buitenlandse Zaken op z’n best een lichtgewicht, maar dat kan niet de enige reden zijn waarom het Duitse beleid de laatste tijd minder standvastig blijkt te zijn dan tevoren. Per slot van rekening is het, in het Duitse staatsrechtelijk stelsel, de bondskanselier die de richtlijnen vaststelt.

Dat Duitsland, anders dan de meeste van zijn bondgenoten, besloot in de actie tegen Libië zich te onthouden van alle medewerking, kan als een omineus teken opgevat worden. Gaat Duitsland zijn eigen weg? Of is dit besluit aan Merkels regie ontsnapt? Dan is het een teken van zwakheid. Haar draai van 180 graden inzake kernenergie kan – wat ook de merites van het besluit zelf mogen zijn – evenmin als een bewijs van standvastigheid worden gezien, nog afgezien van het feit dat het Duitsland afhankelijker maakt van het Russische gas.

Heeft Merkel dit besluit genomen in de paniek na de tsunami in Japan, die de meltdown van een kerncentrale tot gevolg had, of om Die Grünen de wind uit de zeilen te nemen? In beide gevallen heeft haar reputatie als berekenbare leider van Europa’s grootste mogendheid schade geleden.

Een recent rapport van de European Council on Foreign Relations in Brussel constateert dat het Duitse beleid een „strategisch vacuüm” binnen de EU heeft geschapen. Joep Leerssen, hoogleraar moderne Europese literatuur in Amsterdam, spreekt in een interview met Vrij Nederland (4 juni) van Europa als een „donut”: „Er is een gat in het midden”. En wie ligt er in dat midden? Duitsland.

Misschien zijn deze tekenen nog niet alarmerend, maar ze zouden voor een Nederlandse regering ernstig genoeg moeten zijn om zich te bezinnen op het toekomstige Nederlandse beleid. Amerika neemt, terecht, het standpunt in dat Europa nu maar zelf zijn boontjes moet doppen. Van Engeland en Frankrijk kan Nederland evenmin veel steun verwachten. Duitslands functie als steunpijler is minder zeker geworden.

Bij gebrek aan langetermijnbeleid is een ongeplande, sluipende terugkeer naar een soort neutraliteit niet uitgesloten. Het kabinet-Rutte heeft daar al een voorschot op genomen door de rol van Nederlands luchtmacht in Libië, anders dan die van België, Denemarken en Noorwegen, te beperken tot bewaking van het luchtruim. Die bewaking is overigens overbodig geworden, want de Libische luchtmacht is intussen uitgeschakeld – door anderen.