Sjaak weet van niks

Bij het verlaten van een gemeentelijk kantoor in het Amsterdamse Westerpark hoorde ik iemand roepen: „Wacht jij ’s even.”

Het klonk nogal dreigend en ik rechtte dan ook meteen mijn rug als iemand die doet alsof hij bereid is de strijd aan te gaan. Gelukkig bleek het bevel niet voor mij bedoeld, maar voor een schrale man met een kalend hoofd die aarzelend probeerde door te lopen. Een stevig gebouwde, grijze man achtervolgde hem in looppas en riep: „Hoor je me niet, Sjaak?”

We bevonden ons op een groot terrein, dat ten dele als parkeerplaats fungeerde. Daarachter lag een straatje met de bioscoop Het Ketelhuis en het gebouw waar de tv-programma’s De Wereld Draait Door en Pauw & Witteman werden opgenomen. Het was er rustig nu, want de vakantie voor de tv-makers was al begonnen, waarmee ik overigens niets wil suggereren.

Sjaak stond inmiddels stil, in afwachting van de vervelende dingen die ongetwijfeld gingen komen. „Wat isser?” vroeg hij nijdig.

De ander voegde zich hijgend bij hem. Hij sloeg Sjaak quasi-amicaal op de schouder en zei: „Wat ik nou toch over je heb gehoord.”

„Hoezo?”

„Nou, ik hoorde van Bert dat jij van plan was mij neer te steken, de eerste de beste keer dat je me zag. En ik dacht toen: waarom zou Sjaak dat willen?”

Het leek me een adequate vraag als de informatie van Bert klopte, maar Sjaak was niet van plan er uitgebreid op in te gaan. Wel viel mij als neutrale waarnemer op dat hij een heftige ontkenning achterwege liet. Hij zei alleen: „Neersteken?”

„Ja. Zó zei Bert dat.”

„En waarom zou ik dat dan willen doen?”

De ander lachte kort en vreugdeloos. „Dat kwam ik je nou juist vragen. Daarom was ik zo blij dat ik je zag. Ik dacht: dan hoef ik ’m niet te bellen.”

„Ik weet van niks”, zei Sjaak en hij probeerde weer door te lopen.

„Blijf nou even staan, Sjaak”, maande de ander hem. „Zó komen we er nooit uit. Het rare is: ik dacht dat we alles uitgepraat hadden en opeens hoor ik dat jij het hebt over neersteken dit en neersteken dat.”

„Ik kan me daar niks van herinneren”, zei Sjaak.

„Vergeten is menselijk”, zei de achtervolger, „maar zou je het gezegd kúnnen hebben?”

„Zou kunnen”, mompelde Sjaak.

Een gevaarlijk antwoord. Zijn achtervolger greep het aan als een strohalm die zijn leven kon redden. „Dus dan kunnen we er wel van uitgaan dat je het gezegd hébt.”

„Dat moet jij weten”, zei Sjaak terwijl hij een weggetje koos dat tussen enkele gebouwen door naar het oude deel van het park leidde. De ander bleef staan en vroeg: „Waar ga je heen?” Sjaak vervolgde zwijgend zijn weg, terwijl ik met ingehouden adem toekeek. Er konden nu twee dingen gebeuren: a. helemaal niets, b. een steek- of knokpartij waar de filmvertoningen in Het Ketelhuis bij zouden verbleken.

Alles hing af van de achtervolger. Sjaak had op dit moment geen behoefte het mes te trekken, hij had er misschien alleen maar via een omweg mee willen dreigen. Maar de achtervolger had niet de opheldering gekregen waar hij zo naar snakte. Hij zou kunnen besluiten Sjaak met geweld tot de orde te roepen en hij leek dat ook te overwegen, althans, zijn hand ging naar de binnenzak van zijn rafelige hesje.

Toen draaide hij zich af en liep de andere kant op. Even later zag ik dat hij zich voegde bij het groepje halfdronken mannen dat zich altijd in een hoekje van het park ophield. Hij lachte luid. Hij leefde nog.