Redenen om niet stil te liggen

Romig schrijven over de dageraad, ernstig what-iffen over Mozes, dichten over rare vogels, wikken en wegen over slapeloosheid – alle vier Buddingh’-genomineerden verdienen een aanmoediging.

W at je er verder ook van mag vinden: het zijn behoorlijk zelfbewuste debuten, de vier bundels die genomineerd zijn voor de C. Buddingh’- prijs 2011. Niet dat hun werk meteen geheel in balans is, maar elk van de jonge dichters lijkt vastbesloten de wereld te verrijken met zijn of haar gedichten. Er wordt wel hardop getwijfeld, over het vermogen van de taal of de aard van het dichterschap, maar ook die onzekerheid wordt met vaste hand bestuurd en gekneed tot een gedicht.

Op donderdag 16 juni wordt tijdens Poetry International bekend gemaakt wie van de vier de debutenprijs en 1.200 euro verdient: Y.M Dangre (1987), Lieke Marsman (1990), Dennis Gaens (1982) of Marjolijn van Heemstra (1981). De aanwas van jonge dichters is nog hoopgevender dan deze nominaties laten zien, want het fantasievolle Melktanden van Martijn den Ouden (1983) had er tussen kunnen en moeten staan.

Van het geselecteerde kwartet lijkt de Vlaming Dangre me de grootste outsider. De gedragen, romige toon waarop hij met negen gedichten over Aurora, de godin van de dageraad, zijn bundel Meisje dat ik nog moet inzet, is gedurfd. Maar de mooie zinnen die je her en der leest, wens je betere gedichten toe.

Met nog een dertiendelige ode aan de muze in hem en veertien gedichten aan het meisje in de titel is dit een bundel over liefde en begeerte. Erg zinnelijk werkt dat niet, want Dangre wil voordurend te veel. Hij stapelt metaforen en legt het liefst twee krullen in een zin.

Dat klinkt zo: ‘Door mijn trage dagen blaas jij / een lente, een lichtend sterrenbeeld / vol vogels die je door mijn aderen / jaagt en die de zomeruren / turven in mijn bloed.’ Het aardige is dat Dangre, die eerder al debuteerde met een roman, gaande de bundel meer raffinement en terughoudendheid toont. Hij werkt zijn beelden uit en die winnen daardoor aan kracht.

Maniertje

De losse, naïeve stijl van Lieke Marsman doet doorleefder aan dan die van Dangre, maar is net zo goed het product van literaire stijlfiguren. Dat merk je aan de keren dat het maniertje door het gedicht heen steekt en de dichter een loos gedicht produceert. Maar dat is niet zo vaak in Wat ik mijzelf graag voorhoud.

Zo veel greep op de taal als Marsman demonstreert in haar schrijven, zo weinig grip op het leven heeft de verteller in de gedichten. Ze wordt geplaagd door dromen en slapeloosheid, door herinneringen en door al die keuzes die er in het leven te maken zijn. ‘Deze dingen gebeuren en we hebben geen invloed’, zoals ze schrijft in het gedicht ‘Sneeuwuilen’.

Wel denkt ze voortdurend. Ze wikt en weegt, laat verklaringen uitgaan en gekke gedachten. ‘Er bestaan vele redenen waardoor je niet stil kunt blijven liggen, ’s nachts’, luidt de beginzin van de bundel. Als na de redenen hoesten en rode ogen het woord ‘geraakt’ valt, steekt ze over naar wat er zo fijn is aan geraakt worden en het mooie van het woord ‘stil’.

Op de beste momenten gaat het associëren Marsman heel natuurlijk af en dan schrijft ze sprankelende poëzie. Dat zit niet in één lekkere regel. In ‘Soms moet dat’ en ‘Broertje’ spreekt ze in de jij-vorm anderen direct aan en dat geeft de gedichten structuur en ritme. Bovendien is wat ze zegt steeds verrassend of raar. In die wrijving van geestrijk en geestig ontstaan magische momenten.

Hoe knap dat is, merk je als Dennis Gaens een laconieke toon aanslaat. Bij hem klinkt er toch altijd wat stoers in door. Gaens deelt met Marsman de wil het leven om hem heen vast te leggen, maar het staat er soms net wat onhandiger, in zinnen als: ‘Onder ons zijn jongens die haar hebben dat lijkt te willen zeggen: „Wij zijn die jongens met dat haar.”’

Dat ‘ons’ verraadt, net als de titel van zijn bundel, de ambitie om een scene of generatie te schilderen. Veel pakkende inzichten komen daar niet uit voort. Net als de andere genomineerden worstelt Gaens met authenticiteit in een conformistische wereld, een beproefd thema. Dat leidt hem naar gedichten over rare vogels, maar bij Gaens blijven die buitenissige personages buitenkant.

Dood

Op zijn best is hij als hij minder observator en chroniqueur poogt te zijn. ‘De besluitvorming hier’ bijvoorbeeld is een origineel gedicht over de dood. Het begint met: ‘Zo’n wereld is toe aan eindelijk/ weer een beslissing. Ik (bijvoorbeeld)/ duur te lang zoals ik ben.’ Waarna hij voorbereidingen treft en wacht. ‘Mijn botten maken klikgeluiden, alsof ze aftellen.’ Dat is mooi gezegd.

Als Mozes had doorgevraagd van Marjolijn van Heemstra is het meest ongrijpbaar van de vier Buddingh’-bundels: een bont en overvol geheel. Het is de enige bundel zonder ‘ik’ in de titel en alleen al dat gebrek aan ik-gerichtheid is verfrissend. Het gaat van een brief aan iemand die aan kanker sterft tot een gedicht over een cruiseschip, en van bomenverzamelaars en astronauten tot dingenverdriet en stamvaders.

Van Heemstra, die ook theatermaakster is, wist vorig jaar de aandacht op zich te vestigen door al haar gedichten in korte filmpjes te laten voordragen: een geslaagde stunt. Ook uit haar poëzie spreekt zin voor avontuur en risico. ‘De bomenverzamelaar’ bijvoorbeeld is een fraaie, sprookjesachtige vertelling over een houthandelaar die tot inkeer komt. En het titelgedicht geeft ook echt én geestig antwoord op de vraag wat Mozes had moeten doen. Maar soms ontbreekt de noodzakelijk clou of is een poëtische formulering te geforceerd.

Zo nomineerde de jury vier jonge dichters die ieder aanmoediging verdienen. Maar de prijs voor het meeste talent zou naar Marsman moeten gaan.

Y.M. Dangre: Meisje dat ik nog moet. De Bezige Bij Antwerpen, 60 blz. € 19,95Dennis Gaens: Ik en mijn mensen. Van Gennep, 67 blz. € 16,–Marjolijn van Heemstra: Als Mozes had doorgevraagd. Thomas Rap, 59 blz. € 15,–Lieke Marsman: Wat ik mijzelf graag voorhoud. Van Oorschot, 56 blz. € 14,50.De Buddingh’-prijs wordt 16/6 uitgereikt op Poetry international. www.poetry.nl