Nieuwkomers zijn nooit welkom

In 1700 was 40% van de Amsterdammers niet in het land geboren, het dubbele van nu. Toch was de bejegening dikwijls vijandig, tot in de derde generatie.

Leo Lucassen en Jan Lucassen: Winnaars en verliezers. Een nuchtere balans van vijfhonderd jaar immigratie. Bert Bakker, 303 blz. € 19,95

‘Iedereen heeft recht op zijn eigen mening, maar niemand heeft recht op zijn eigen feiten’. Met deze uitspraak van de enkele jaren geleden overleden Amerikaanse socioloog en senator Daniel Moynihan sluiten de gebroeders Leo en Jan Lucassen hun ‘nuchtere balans van vijfhonderd jaar immigratie’ af. Geen andere zin geeft zo treffend hun kernboodschap weer.

Beide sociaal-historici verbazen zich erover dat in het publieke en politieke debat over migratie feiten hooguit een ondergeschikte rol spelen en al snel overheerst worden door meningen. In hun boek laten zij zien dat dit niet iets is van de laatste tijd. Immigratie heeft in Nederland altijd tot scherpe controversen geleid, waarbij de argumenten van voor- en tegenstanders in de 17de en 18de eeuw niet veel afweken van die van nu. Een historische blik kan soms heel ontnuchterend zijn.

In Winnaars en verliezers analyseren de gebroeders Lucassen, die beiden hun sporen hebben verdiend in het onderzoek naar de geschiedenis van de migratie, wat deze per saldo heeft opgeleverd voor alle betrokkenen. Anders dan men misschien van historici zou verwachten, beginnen zij bij het heden en werken dan geleidelijk terug naar de 16de eeuw.

Hun uitstekend gedocumenteerde, vlot geschreven boek staat vol met bekende en minder bekende feiten over migratie naar Nederland vanuit heel Europa en, vooral de laatste decennia, ook van ver daarbuiten. Alleen dank zij honderdduizenden migranten kon het dunbevolkte Nederland in de Gouden Eeuw de wereldzeeën beheersen, de kiem leggen voor een koloniaal rijk en tot grote economische bloei komen. Het relatief open geestelijk klimaat trok intellectuelen en vluchtelingen uit alle windrichtingen aan. In 1700 was 40 procent van de Amsterdamse bevolking buiten Nederland geboren, ongeveer het dubbele van nu. Toch was ook toen de bejegening dikwijls vijandig, soms tot in de derde generatie. Argwanend bezag de oorspronkelijke bevolking de Duitse landarbeiders (‘moffen’), de Hugenoten en bovenal de joden. ‘De joodse religie immers ‘ademd niet dan slaafsche onderwerping, harde diensten en strenge plegtigheeden’ en maakt de aanhangers daarvan ongeschikt voor de vrijheid. Er worden tegenwoordig processen gevoerd voor minder pittige uitspraken, zij het over een andere godsdienst.

Tweederangsburgers

Nog tot vroeg in de 19de eeuw werden veel ‘allochtonen’ generaties lang als tweederangsburgers gezien en behandeld. En ook in die 19de eeuw groeide, net als nu, een spanning tussen economische mondialisering en opkomend politiek nationalisme. De uitdijende economie vroeg om arbeidskrachten, maar de samenleving wilde ze niet.

In de periode tussen 1850 en 1950 ontving Nederland relatief weinig nieuwkomers. De grote aantrekkingspolen van arbeidsmigranten (mijnen, zware industrie) lagen elders in Europa en binnenlandse migratie vanaf het platteland kon in de groeiende stedelijke behoefte aan arbeidskrachten voorzien. De toelatingsregels werden in deze eeuw allengs strenger, met het terugzenden van joden naar nazi-Duitsland als absoluut dieptepunt.

Zo verdween het fenomeen ‘nieuwkomer’ geleidelijk uit de Nederlandse samenleving en dus ook uit het collectieve geheugen. Hierdoor heeft zich bij velen de indruk kunnen vestigen dat wat we de afgelopen decennia op migratiegebied beleven volstrekt nieuw is en dat de Nederlandse samenleving nooit in staat zal blijken al die nieuwkomers op te nemen.

De Lucassens duiden deze laatste categorie aan als ‘integratiepessimisten’ en rekenen hiertoe zeer uiteenlopende figuren als Paul Scheffer, Pieter Lakeman en Martin Bosma. Wat hen verbindt is dat zij allen pretenderen met op onderzoek gebaseerde argumenten de onmogelijkheid van integratie te onderbouwen. In werkelijkheid gaan zij zo selectief, onsystematisch en slordig met hun bronnen om dat hun pennevruchten de toets der wetenschappelijke kritiek niet kunnen doorstaan. Toch domineren hun meningen over de ‘massa-immigratie’ en haar onwenselijke gevolgen het publieke debat, terwijl de feiten tot andere conclusies nopen. Sinds de Gouden Eeuw is er kennelijk niet zo veel veranderd.

Rechtse kerk

Leo en Jan Lucassen rekenen de genoemde auteurs en de politici die hun alarmerende signalen overnemen, tot de ‘rechtse kerk’. Zij zetten zich af tegen de ‘multiculturele mythe’, zoals die in de periode 1975-1990 tot wasdom kwam. Op overtuigende wijze laten de auteurs echter zien dat het multiculturalisme in die jaren veel minder wijd verspreid was dan nu algemeen wordt aangenomen. Sterker nog, ter linkerzijde bestond veel meer aarzeling over de komst en vestiging van migranten en hun gezinsleden dan aan rechterzijde. Liberale werkgevers waren vóór ruimhartige toelatingsregelingen en christen-democraten vóór het faciliteren van identiteitsbehoud onder migranten, ondanks waarschuwende woorden over dreigende marginalisering en maatschappelijke spanningen, vooral uit de hoek van de wetenschap.

Politiek links zag wel de nadelen van massa-immigratie, maar durfde hiertegen niet echt stelling te nemen om de Centrum Democraten van Janmaat niet in de kaart te spelen. Ironisch in dit verband is dat juist de linkse staatssecretaris Job Cohen in 2000 een nieuwe Vreemdelingenwet door de Kamer wist te krijgen, die tot een flinke verlaging van de instroom heeft geleid. Bijna ongemerkt lijkt een soort paradigmawisseling te hebben plaatsgevonden: ‘links’ bepleit nu openheid en begrip, ‘rechts’ staat intussen voor grenzen dicht en assimilatie.

De beide historici laten helder zien hoe die paradigmawisseling het – goeddeels onbedoelde – gevolg is van een samenloop van omstandigheden die zijn wortels heeft in de jaren tachtig. In die jaren verdween veel ongeschoold werk, bleven laag geschoolde migranten vooral via gezinshereniging toestromen en was de sociale zekerheid nog aanzienlijk genereuzer dan thans. De ‘ethische revolutie’ die die jaren tekende, maakte de schaduwkanten van deze ontwikkelingen nauwelijks bespreekbaar.

Pas na de eeuwwisseling kwam de kentering: een meerderheid keert zich tegen nieuwe immigratie, juist op het moment dat deze wezenlijk van aard verandert en het aandeel kansarmen onder de nieuwkomers overduidelijk terugloopt. Opnieuw winnen opvattingen en gevoelens het van de feiten bij het opmaken van de balans van winst en verlies.