Niet alle krachtpatsers zijn in topvorm

Een mooi overzicht van Julian Schabel laat zien hoe een succesvol kunstenaar gemakzuchtig werd.

Ze zijn alom vertegenwoordigd in Venetië, de machokunstenaars die al decennialang het topsegment van de kunstmarkt bepalen. Overal schreeuwen hun namen de voorbijgangers toe, vanaf de billboards in de vaporettohaltes, of vanaf de affiches waarmee de muren van Venetië in deze openingsweek van de biënnale zijn volgeplakt: Anish Kapoor in de San Maggiore kerk, Jan Fabre in de Nuova Scuola Grande, Christian Boltanski in het Franse paviljoen. Vooral de kunstenaars die in de jaren tachtig voor een doorbraak in de schilderkunst zorgden, drukken hun stempel op het enorme tentoonstellingsaanbod van deze biënnale – mensen als Anselm Kiefer, Sigmar Polke en Julian Schnabel.

Maar die prominente aanwezigheid pakt niet voor al deze topkunstenaars even goed uit. Want het valt dit jaar des te meer op dat de grote namen met hun recente werken maar nauwelijks indruk weten te maken. Aan de vorig jaar overleden Polke is op de hoofdtentoonstelling Illuminations een postume zaal gewijd met zijn laatste werken, de serie Strahlen Sehen uit 2007. Behaagzieke schilderijen zijn het, die verstopt gaan achter geribbeld glas, zodat ze een beetje lijken te bewegen als je erlangs loopt. Vergelijk dat eens met Polkes Polizeischwein uit 1986, een drie meter groot doek dat destijds in het Duitse paviljoen te zien was en dat nu opnieuw getoond wordt. Gebaseerd op een nieuwsfoto van een douanier die zijn pet op de kop van een varken heeft gezet, is dit een werk dat tenminste nog tegen schenen durfde te schoppen.

Ook de enorme installatie Salt of the Earth die Kiefer in de vroegere Venetiaanse zoutloodsen laat zien, kan maar nauwelijks bekoren. In de kale bakstenen ruimte hangt een reeks loden lappen als pasgewassen lakens zij aan zij. Ze zijn bewerkt met zoutkristallen, die patronen in het metaal hebben gebeten. Maar de schoonheid van dat effect laat zich moeilijk bekijken, omdat de lappen zo dicht op elkaar hangen dat je er als bezoeker niet tussendoor kunt lopen. Salt of the Earth is vooral een in zichzelf gekeerd kunstwerk dat het publiek vakkundig buitensluit.

Aan de schilderkunst van Julian Schnabel is in Museo Correr een mooi overzicht gewijd dat met zo’n veertig werken zijn ontwikkeling schetst van de late jaren zeventig tot nu. Permanently becoming and the architecture of seeing, zoals de tentoonstelling heet, opent met het bekende werk The Unexpected Death of Blinky Palermo in the Tropics (1981) uit de collectie van het Amsterdamse Stedelijk Museum, een lekker wellustig en wild schilderij met een fluwelen ondergrond. Uit diezelfde tijd stammen ook de portretten die Schnabel schilderde op een ondergrond van gebroken serviesgoed. Prachtige koppen zijn dat, die met hun gecraqueleerde schoonheid ook iets treurigs hebben. Stuk voor stuk vallen de damesgezichten in scherven uiteen, als kubistische portretten, of een afbladderende muur.

Een hoogtepunt vormt het reusachtige werk The Sea uit 1981, dat je nauwelijks nog een schilderij kunt noemen en dat aan Anselm Kiefers beste en meest woeste landschappen doet denken. Schnabel lijkt hiervoor de volledige inboedel van een Mexicaanse aardewerkfabriek kapot te hebben gesmeten. De scherven, ingebed in een moddervette zee van blauwe verf, steken centimeters de museumzaal in. Ervoor ligt, leunend tegen het doek, een aangespoeld stuk wrakhout.

Maar ook bij Schnabel lijkt in zijn latere schilderijen die jeugdige kracht steeds meer verloren te zijn gegaan. Het recente Portrait of Rula (2010) is een nogal truttig portret van zijn huidige geliefde in baljurk, in de stijl van hofschilders als Velázquez of Titiaan. Het heeft, mede door de protserige lijst en de setting in de stijlkamers van Museo Correr, vooral een decoratieve waarde.

Van een serie werken uit 2009 en 2010, waarvoor Schnabel opgeblazen foto’s als achtergrond heeft gebruikt, straalt de gemakzucht al helemaal af. De kunstenaar voegde slechts nog een paar waterige vegen verf aan de foto’s toe, die de indruk wekken alsof de beelden te lang in de chemicaliën hebben gelegen.

Zou het dan toch waar zijn, zoals zo vaak beweerd wordt, dat kunstenaars hun hoogtepunt rond hun veertigste bereiken? Wie de recente bijdragen van de gevestigde schilderskanonnen aan deze biënnale beziet, gaat het bijna geloven.

Julian Schnabel: Permanently becoming and the architecture of seeing. T/m 27 nov in Museo Correr, San Marcoplein, Venetië. Inl: www.museiciviciveneziani.it