Niemand kan tegen de zon in kijken

Twee derde aan koning Gilgamesj is goddelijk, een derde menselijk. Zijn rouw om zijn vriend Enkidoe is nog altijd hartverscheurend, blijkt bij de heruitgave van een van de oerverhalen van onze cultuur.

Het Gilgamesj-epos. Vert. Theo de Feijter. Athenaeum-Polak & Van Gen- nep, Perpetua-reeks 151 blz. € 19,95

In het laatste boek van Vergilius’ Aeneis wordt een gevecht beschreven tussen Aeneas en een Latijnse held, Turnus. Turnus is niet op dreef, het vechten lukt hem niet zoals hij dat gewend is, het vergaat hem, staat er, ‘zoals wanneer in de nacht een lome slaap onze ogen / sluit en wij in een droom vergeefs proberen te vluchten [...] / – de tong is verlamd, vertrouwde lichaamskrachten van vroeger / zijn niet voldoende, wij kunnen geen klanken en woorden meer uiten’ (vert. Piet Schrijvers).

Ja, zulke dromen kennen we allemaal, die waarin je niet meer vooruit komt en geen geluid kunt maken. Vergilius kende die dus ook. Meer dan 2000 jaar geleden droomden mensen ook zulke dromen. Het blijft je verbazen dat mensen heel lang lang geleden dezelfde angsten en gevoelens hadden als wijzelf. En dat ook toen al de verslapping van de spieren die door de slaap in het lichaam optreedt, in dromen vertaald werd als: niet vooruit kunnen komen.

Alsof de tijd niet bestaat. Het is een wonderlijke sensatie, die zich ook wel nóg verder terug kan uitstrekken: in de Ilias en de Odyssee komen ook passages voor die we helemaal mee kunnen voelen. 2800 jaar geleden, maar het verdriet van een vader om zijn gesneuvelde zoon is niet anders.

Maar dan het Gilgamesj-epos, nu opnieuw uitgegeven door Athenaeum in de Perpetua-reeks. Ineens lijken de Grieken vlakbij, tijdgenoten bijna. Want dit verhaal komt uit een beschaving die nog zó veel ouder is dat je bijna niet kunt geloven dat er toen van beschaving sprake was. Uit de beroemde ‘wieg van de beschaving’ , de rijken in Mesopotamië, is tekst overgeleverd die we nu nog lezen kunnen en, hoe wonderlijk, kunnen begrijpen. Navoelen.

De oudste verhalen over een koning Gilgamesj, dan nog Bilgames geheten, zijn geschreven in het Soemerisch en stammen waarschijnlijk uit ongeveer 2100 voor Christus. Nog verder vóór het jaar nul dan wij er nu vanaf zijn. Vierduizend jaar geleden is een tijdspanne waarbij je je niets kunt voorstellen. Bij het leven toen ook niet: grotten en berenvellen als je er vaag over nadenkt.

Maar koning Gilgamesj, die vermoedelijk echt bestaan heeft en rond 2700 v. Chr. koning was over een stadsstaat, was geen koning in een berenvel. De stad Oeroek in het zuiden van Mesopotamië waarover hij koning was, had een omvang van 5,5 km binnen de muren en er woonden vermoedelijk zo’n 50.000 mensen. Dat betekent dat de stad groter was dan het Athene van Pericles. De muren waren opgetrokken van in de zon gebakken kleitichels. Er was een enorm tempelcomplex voor de belangrijke plaatselijke goden, Ishtar en Ea. Er zijn schitterende beelden overgeleverd, prachtige mozaïeken die vredestijd en oorlogstijd uitbeelden. En verhalen dus, verhalen over de man aan wie ‘tweederde goddelijk [is], een derde aan hem is menselijk’, Gilgamesj. En over zijn vriend Enkidoe.

De verhalen die verteld worden in het epos zijn oerverhalen. Bijvoorbeeld dat van een grote vloed, gezonden door de goden, en overleefd door een man die een boot bouwde en daarop met zijn familie en levende have ronddreef totdat zijn schip weer aan de grond raakte en hij vogels uitzond om te kijken of de rest van de aarde al droog was. Dat verhaal kennen we: Noach en zijn ark. Maar dit verhaal, in ongeveer 1200 v. Chr. aan het epos toegevoegd, is ouder en het komt van een nog weer oudere Soemerische mythe, Atrachasis, waarin de goden spijt hebben van de lawaaiige mensen: ‘Enlil hoorde hun kreten/ En zei tot de grote goden: / het geschreeuw van de mensen hindert me / Ik kan niet slapen door hun lawaai’.

In het Oude Testament stuurt God die vloed omdat hij de mensen te zondig vindt, maar verder lijkt het verhaal sprekend op het Mesopotamische origineel. Zoals wel meer passages in de bijbel opmerkelijke parallellen vertonen met het Gilgamesj-epos. Vertaler Theo de Feijter geeft die parallellen in zijn noten steeds aan, en je staat soms versteld van de vrijwel woordelijke gelijkenissen. Er zijn ook kleitabletten met Gilgamesj-verhalen gevonden op het grondgebied van het huidige Israël.

De Feijter stelt in zijn inleiding de vraag wat de functie van het Gilgamesj-epos geweest kan zijn dat het zo veel gekopieerd is en in belangrijke bibliotheken werd opgeslagen – de bibliotheek van koning Assoerbanipal van Ninive bevatte diverse kopieën. Een mogelijkheid is dat het epos als een vorstenspiegel werd gebruikt: zó moet een koning zijn, tot deze conclusies moet hij komen.

Koning Gilgamesj is aanvankelijk een zeer onstuimige man die zijn onderdanen geen rust gunt, hij is almaar bezig spelen en wellicht ook oorlogen te organiseren waaraan zijn volk moet deelnemen. De onderdanen klagen bij de goden en die verzinnen een oplossing: Gilgamesj heeft een vriend nodig die net zo geweldig is als hij. Dat wordt Enkidoe, gemaakt door de moedergodin, naar het beeld van de oppergod. Ook die formulering herkennen we.

Enkidoe is een wilde jongeman, hij groeit op tussen de dieren, hij is als een dier. Pas als hij met een vrouw geslapen heeft, verandert dat, hij kan de herten niet langer bijhouden en zij vluchten ook voor hem. ‘Hij [...] was niet zoals vroeger. / Maar wel was hij wijzer geworden, ruimer van begrip.’ Ook hier kan een bijbelse parallel getrokken worden: zoals Adam en Eva als zij van de boom der kennis hebben gegeten en zich bewust zijn geworden van hun naaktheid, uit het paradijs moeten vertrekken, zo wordt Enkidoe nu hij de seksualiteit heeft leren kennen, de paradijselijke staat ontnomen waarin hij één was met het omringende.

Hij wordt de vriend van Gilgamesj en samen gaan ze grote en zeer gevaarlijke dingen ondernemen. Op die manier wil Gilgamesj naam maken. Onsterfelijkheid bestaat nu eenmaal niet zegt hij; ‘De dagen van de mensen zijn geteld / wat zij voortbrengen zal vergaan in de wind” .

In de avonturenpassages zijn schitterende beschrijvingen van angst te vinden, en van samenwerkende vriendschap. Toch ligt het hoogtepunt van het epos in het tweede deel. Na de heldendaden laten de goden Enkidoe sterven. Gilgamesj is er geheel door verpletterd. Hij rouwt, hij is wanhopig en hij is bang geworden voor de dood. Hij wil niet zelf ook sterven. Naam maken is hem niet meer voldoende. Hij wil onsterfelijk worden. Dus gaat hij op zoek naar de enige mensen die onsterfelijk zijn geworden: het echtpaar dat de zondvloed overleefde op hun schip. Ze wonen aan het einde van de wereld,waar niemand ooit geweest is.

Gilgamesj gaat erheen en onderweg herhaalt hij tegen iedereen die hij tegenkomt en die hem vraagt waarom hij door de steppen zwerft, zijn klacht om Enkidoe. Die klacht, waarin vele herhalingen staan en die zelf ook elke keer weer helemaal geciteerd wordt, is ongemeen aangrijpend. Steeds weer die regels:

Enkidoe, die ik zozeer liefhad,

die samen met mij alle moeilijkheden

doorstond,

viel het lot van alle mensen ten deel. [...]

Nu ben ik bang voor de dood en zwerf door

de steppe:

het lot van mijn vriend achtervolgt me.

Ik ga een lange weg, dwalend door de steppe:

Het lot van Enkidoe achtervolgt me. [...]

Hoe zou ik kunnen zwijgen, hoe het voor

me houden:

De vriend van wie ik hield, is tot aarde

geworden.

Het is een bezwerende, meeslepende manier van vertellen, waarin de poëzie niet door rijm en metrum tot stand komt maar door allerlei variaties op hetzelfde, op een manier die enigszins vergelijkbaar is met de poëtische principes van de psalmen. De vertaling is mooi, meeslepend en overtuigend.

Natuurlijk vindt Gilgamesj de onsterfelijkheid niet. ‘Ogen die in de zon kunnen kijken, hebben nog nooit bestaan’ zegt de man die de zondvloed heeft overleefd tegen hem. Hijzelf is een uitzondering, nooit meer zullen de goden iemand onsterfelijk maken. Mensen moeten sterven. En daarvóór kunnen ze maar het beste van het leven genieten, goed eten, met hun vrouw vrijen, naar hun kind kijken, schone kleren aan doen. Inspanningen zoals die van Gilgamesj zijn vergeefse moeite. ‘Het leven dat je zoekt zul je niet vinden’ wordt hem steeds voorgehouden.

Vierduizend jaar geleden geschreven, in een volkomen andere, verdwenen wereld. Zulke superhelden zijn er niet meer. Maar de lange weg die iemand die rouwt moet gaan, zijn vergeefse protesten, zijn hoop, en uiteindelijk zijn berusting in wat nu eenmaal het menselijk leven is – die kennen we maar al te goed.