Net nu Milad in dienst moet

Net als de bevolking is ook het Syrische leger verdeeld over de politieke situatie.

Onder de dienstplichtigen zijn veel tegenstanders van het regime te vinden.

„Dat heb ik weer”, klaagt Milad. „Net als ik in dienst ben, breken er problemen uit.” Want voor het eerst sinds twee maanden is Milad weer thuis bij familie. Milad is dienstplichtig militair in het Syrische leger en gestationeerd op een legerbasis aan de rand van de stad Douma, waar vanaf half maart demonstraties voor meer vrijheden in Syrië zijn gehouden. Onder normale omstandigheden zou hij elk weekend naar huis mogen, maar sinds het uitbreken van de demonstraties in Syrië zijn alle verloven ingetrokken.

Het Syrische leger is net als de bevolking verdeeld over de politieke situatie. Het officierenkorps en de beruchte Republikeinse Garde bestaan voornamelijk uit alawieten, een islamitische minderheid waar ook president Bashar al-Assad toe behoort. Hun loyaliteit aan het regime staat niet ter discussie. Het nationale leger, dat voor een groot deel uit dienstplichtigen bestaat, is een afspiegeling van het gewone volk. Onder de dienstplichtige soldaten zijn dan ook veel tegenstanders van het regime te vinden.

Milad vertelt over een militair uit zijn divisie die bij de demonstraties in Douma aanwezig was. „Hoewel het ons militairen niet was toegestaan om de basis te verlaten, wist hij op de dag van de demonstraties toch in de stad te komen. Hij vertelde dat agenten van de veiligheidsdienst het vuur hadden geopend op de betogers waarbij een man naast hem dodelijk werd getroffen.”

„Zelf weet ik ook niet meer wat ik moet geloven”, zegt Milad schouderophalend. „Op een dag kwamen er officieren van een andere legerafdeling bij ons op het kamp. Zij vertelden ons dat er gewapende bendes in de stad actief waren die op burgers en militairen schoten en mogelijk ook een aanval wilden uitvoeren op onze legerbasis.

„We moesten zandzakken opwerpen en ons hierachter opstellen. Ze gaven ons wapens en wij kregen de opdracht om onmiddellijk het vuur te openen mocht er gevaar dreigen. Dagenlang hielden wij met knikkende knieën de wacht. Bij elk burgervoertuig dat passeerde hield ik mijn geweer in de aanslag, ik was op het ergste voorbereid.” De gewapende bendes kwamen echter niet.

Volgens het Syrische staatspersbureau SANA zijn er tijdens de onlusten al meer dan honderd militairen omgekomen bij aanvallen van gewapende bendes en terroristen op het leger. Deze groepen zouden volgens de Syrische regering door het buitenland gefinancierd, bewapend en aangestuurd worden om de stabiliteit van het land te ondermijnen.

Een student afkomstig uit de stad Homs, waar enkele weken geleden op één dag vijftien militairen werden doodgeschoten, spreekt deze versie van de overheid tegen. Volgens hem weigerde tijdens de demonstraties in zijn stad een deel van het leger gehoor te geven aan het bevel om het vuur te openen op de betogers. De veiligheidsdienst schoot vervolgens met scherp op zowel de demonstranten als op de militairen. Deze getuigenis staat niet op zichzelf. Diverse geruchten doen de ronde dat militairen die weigeren op betogers te schieten standrechtelijk worden geëxecuteerd.

Het regime zit vervolgens met deze slachtoffers in zijn maag en probeert de schuld voor hun dood in de schoenen te schuiven van gewapende extremisten. De dode militairen worden op de staatstelevisie vervolgens geëerd als martelaren die zijn gestorven voor het vaderland. Maar er is geen enkele onafhankelijke bevestiging van deze geruchten.

Milad moet nog elf maanden, voor zijn diensttijd erop zit. De gebeurtenissen hebben er volgens hem voor gezorgd dat het leger hoe dan ook een beter imago heeft gekregen bij de bevolking. „Voorheen had iedereen een afkeer van soldaten. In de bus wilde nooit iemand naast ons zitten”, vertelt Milad lachend. „Nu er echter zoveel militairen zijn omgekomen, heeft iedereen medelijden met ons en krijgen we voor het eerst waardering.”