Moeten we altijd onze culturele spinazie opeten

Freelance filmrecensent Dan Kois leverde een opmerkelijke, geestige bijdrage aan het New York Times Magazine, over zijn hardnekkige symptomen van ‘culturele vermoeidheid’. Hij kan ‘slow cinema’, zoals in de films van Kelly Reichardt en Hou Hsaio-hsien, nauwelijks meer verdragen. „Ik heb steeds minder zin om mijn culturele groente op te eten, hoe goed het ook voor me mag zijn.” De miniserie Mildred Pierce van regisseur Todd Haynes ‘rust zacht’ (en ongezien) op dvd-recorder; het slot van het tergend trage Treme (van de makers van The Wire) is inmiddels (ook ongezien) gewist.

De filmcritici van The New York Times zelf, Mangola Dargis en A.O. Scott, rukten daarop afgelopen zondag gezamenlijk uit – onder de kop „In Defense of the Slow and Boring” – om deze barbaar die is binnengedrongen in hun eigen kolommen van repliek te dienen. Dargis stelde dat blockbusters die volgens een vaste formule gemaakt worden pas echt saai zijn, Scott merkte op dat film kennelijk nog steeds niet serieus genomen wordt, als pogingen om kunst te bedrijven nog altijd op zoveel verzet stuiten. Zie ook de weerstand die het kosmische familiedrama The Tree of Life van Terence Malick oproept; een originele, moedige film, daarover geen twijfel, maar ook een lange zit, die veel van de kijker vergt.

Het belangrijkste punt dat Kois aanroert, laten de twee echter onbesproken. Kois schrijft namelijk dat hij de contemplatieve cinema van regisseurs als Tarkovsky en Antonioni – tegen heug en meug – tot zich had genomen, omdat ‘serieuze mensen’ hem dat hadden aangeraden. En daar wilde hij graag bijhoren. Wie wil dat niet?

Zo prees hij Treme uitbundig in het openbaar, terwijl hij thuis toch de grootste mogelijke moeite had om zichzelf te dwingen tot het einde van het seizoen te blijven kijken. Hier wringt iets. In recensies verschool hij zich soms achter ‘sommige mensen’: „Sommige mensen zullen het tempo wat aan de lage kant vinden.”

Vanwaar die tweestrijd? Omdat het vermogen om ‘moeilijke’ kunst te appreciëren belangrijke sociale voordelen kan opleveren. Dan is het aantrekkelijk om de verveling – hoe immens ook – toch maar even onbesproken te laten.

Het zou weleens zo kunnen zijn dat ‘moeilijke’ kunst zonder deze statusbonus helemaal niet kan bestaan. Sinds het mogelijk is om op feestjes – ook onder goed opgeleide, cultureel geïnteresseerden – zonder gezichtsverlies te vertellen dat dat je ‘niets hebt’ met klassieke muziek, heeft het traditionele concertleven een fors probleem.

Dargis en Scott laten die bonus onbesproken, ze incasseren hem alleen. Dat geldt helemaal voor het nuffige weerwoord van de filmcriticus van The New Yorker, David Denby. Hij pleit er zo ongeveer voor Kois stante pede uit het gilde der filmrecensenten te schoppen, wegens bewezen wansmaak.

De sociale voordelen van de juiste smaak zijn het grootst als die stilzwijgend kunnen worden geïncasseerd, liet de socioloog Pierre Bourdieu zien in zijn grote studie La distinction. De mythe van kunstbeschouwing als de belangenloze contemplatie van de vorm – en niets dan dan de vorm – staat bij critici als Denby fier overeind, terwijl hij met zijn wens Kois de mond te snoeren juist laat zien hoezeer smaak onderdeel is van sociale distinctiedrang.