Marx wint het van Multatuli

Karel van het Reve: Verzameld werk 6 (1985-1994). Bezorgd door Lieneke Frerichs, Elma Drayer en Nop Maas, Van Oorschot. 879 blz. €45,-.

Ton van Brussel (red.): U mag alles over mij schrijven. Interviews met Karel van het Reve. Van Oorschot, 150 blz. €15,-

Deel 6 van het mooi uitgegeven Verzameld Werk van Karel van het Reve opent met een opstel dat hij op 20 juli 1985 in NRC Handelsblad publiceerde onder de titel ‘De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen’. Het is een tirade tegen de schurkachtige God van de christenen (en iedere andere God). Tirade is natuurlijk het verkeerde woord, want Karel van het Reve was wel vaak woedend, maar hij sprak niet met stemverheffing en hij schreef zo goed omdat het leek alsof hij sprak. Enigszins nasaal, pseudo- verbaasd over de domheid in de wereld, licht spottend, met een nuchterheid die even opzichtig was doorgedreven als de mystiek van zijn broer Gerard.

Het ingehouden sarcasme mag niet verward worden met ironie. In een interview met Ischa Meijer (de Volkskrant, 18-02-84) zegt Van het Reve nooit ironisch te spreken. ‘Nee. Iets zeggen wat ik niet meen – nee; ik zou niet weten hoe dat moet.’ Hoewel, in datzelfde interview beweert hij: ‘Ik ben een van de weinige westerse geleerden, die van mening is dat Marx eigenlijk niets interessants te melden heeft.’ Dat mag volkomen gemeend zijn, maar waarom heeft Karl Marx dan de meeste verwijzingen van iedereen in het namenregister? Meer dan Multatuli, over wie dit deel diverse lezenswaardige polemieken bevat.

God en Marx stellen Karel van het Reve in wezen dezelfde vraag: waarom hebben rationele en onweerlegbare argumenten zo weinig vat op de gelovigen? Zijn voornaamste bezwaar tegen de christenen is het meten met twee maten. ‘Doet God iets dat hun bevalt, dan wijten zij dat aan zijn goedheid. Doet hij iets gruwelijks [...] dan wijten zij dat aan de ondoorgrondelijkheid van zijn raadsbesluit.’ Hij was verbaasd over de ophef die zijn kritiek op het opperwezen indertijd veroorzaakte. Nog nooit kreeg hij op een stuk zoveel reacties. ‘Het waren er meer dan vijftig,’ merkt hij op. Dat was dus indertijd veel, wat nu alweer grappig is, gegeven de aantallen internet-reacties aan wie wel eens wat schrijft dat een ander niet zint. De reaguurders van tegenwoordig zijn Karel van het Reve bespaard gebleven.

Uit het ongebundelde werk, dat meer dan de helft van deel 6 beslaat, blijkt dat hij in 1991 nog steeds reacties kreeg van bedroefde christenen, ‘hoewel wat ik in dat stuk beweerd heb erg voor de hand ligt en eigenlijk vanzelf op moet komen bij iedereen die even nadenkt’. Het was hem niet helemaal duidelijk waarom mensen dan toch blijven geloven. Het dichtst bij een antwoord komt hij misschien in een interview met Theodor Holman (Het Parool, 07-11-90) die vraagt: ‘Hoe kijkt u nu terug op uw milieu?’ Dan zegt Van het Reve: ‘Nou, ik heb het gevoel dat ik daar nog steeds bij hoor, eigenlijk.’ En in het al genoemde interview met Ischa Meijer: ‘Aan die communistische beweging uit mijn jeugd bewaar ik niet zulke slechte herinneringen. Ik vond het aardige lui.’

Herhaaldelijk pleit hij voor het oprichten van een vereniging van ex- communisten waar gezellig oude strijdliederen konden worden gezongen. In een bespreking van de herinneringen van het voormalige communistische Tweede Kamerlid Henk Gortzak vraag hij zich af waarom juist door en door fatsoenlijke en brave mensen – zijn ouders bijvoorbeeld – het zo lang hebben uitgehouden als communist, maar hij kan die vraag niet beantwoorden. De beste hypothese lijkt hem dat aanvechtingen van twijfel met een probaat middel werden bestreden: wie openlijk kritiek levert, speelt de vijand in de kaart.

In de door dit deel van het Verzameld werk bestreken periode valt de ineenstorting van het sovjetsysteem die Ruslandkenner Karel van het Reve voor raadsels plaatste. In een artikel uit 1988 voor de Internationale Spectator beloofde hij antwoord te geven op drie vragen: wat wil Gorbatsjov? wat doet hij? En: hoe zal het verder gaan? De conclusie luidde: ‘U zult hebben begrepen dat ik er niet helemaal achter ben wat Gorbatsjov wil, in onzekerheid verkeer over wat hij eigenlijk aan het doen is, en absoluut niet weet wat de toekomst zal brengen.’ Het is deze droogkomische stijl, waaraan elk poeha ontbreekt, die deze lectuur zo aangenaam maakt.

Met grote ernst waarschuwde hij niettemin in De ondergang van het morgenland tegen de gevaren van het nationalisme, die niet beperkt zijn tot het ondergaande sovjetrijk. ‘In woelige tijden is nationalisme iets heel gevaarlijks. De mensen zijn ontevreden en opstandig. Steeds meer problemen doen zich voor. Steeds moeilijker wordt het om een oplossing voor die problemen te vinden. Steeds moeilijker wordt het om te aanvaarden dat er voor allerlei problemen misschien wel helemaal geen oplossing is. En steeds groter wordt de neiging om te denken dat men uit de moeilijkheden kan komen door iemand anders de hersens in te slaan, door iemand anders de schuld te geven, door aan te nemen dat men de eigen ,,identiteit’’ verwaarloosd heeft.’