Liefde in tijden van robotica

Hoe ziet de liefde er over 20 jaar uit? Waartoe leiden losse samenlevingsverbanden?

Misschien bieden virtuele liefde en snellere contacten de romantiek wel meer ruimte.

De toekomst voorspellen, dat doen wij in feite allemaal, elke dag: onze agenda’s zijn onze eigen glazen bolletjes, waarin wij denken te kunnen voorspellen wat wij in de min of meer nabije toekomst aan het doen zijn. Volgende week dinsdag: koffie drinken met die en die. Hoe weten wij dat? Hoe kunnen wij dat nu weten, dat wij dan, daar, dat aan het doen zijn? Bovendien, onze agenda loopt niet door tot 2032. Welke afspraken hopen wij tegen die tijd te hebben gemaakt?

In 2011 iets zeggen over 2032. Dat betekent iets zeggen over mijn verwachtingen, mijn hoop, mijn vrees, mijn idealen, mijn nu. Elke toekomstvoorspelling of toekomstfantasie (zowel utopie als dystopie) zegt iets over wie wij nu zijn, over hoe wij onszelf nu zien, over wie wij denken te zijn, en denken te worden, denken te blijven, hopen te blijven, hopen te worden, vrezen te worden, vrezen te blijven, wellicht al vrezen te zijn.

Nadenken over de toekomst leidt al gauw tot uiteenlopende vormen van doemdenken. Een apocalyps van de liefde. Kan die bestaan? Wat zou dat zijn? Wat is het ergste wat ons kan overkomen? Wat is het ergste wat wij kunnen doen, en laten? Ik bijvoorbeeld ben bang dat alles van waarde verloren zal gaan. Door onoplettendheid, onwetendheid, gebrek aan aandacht, desinteresse, domheid. Maar dan probeer ik te denken aan onze invloed hierop.

Vreemd genoeg zijn wij vaak geneigd om in onpersoonlijke termen over de toekomst te spreken. We hebben het dan over processen, veranderingen, gebeurtenissen, ontwikkelingen (‘Die houd je toch niet tegen!’)… Maar wat houden we niet tegen? Ménsen dan toch? Mensen die iets doen of laten? En wie zijn wij dat wij onszelf en elkaar niet tegen denken te kunnen houden? Waarom op zo’n manier over onszelf denken? Waarom poetsen wij onszelf als handelende personen zo gemakkelijk weg uit het toekomstplaatje? Wat is dat voor machteloos en letterlijk onmenselijk perspectief? Welk belang hebben wij daarbij?

Een aantal onderwerpen dat in ons fantaseren over de toekomst van de liefde geregeld terugkeert is, ten eerste, dat wij in sociaal-economische zin onafhankelijker zijn geworden. Waardoor het, voor wat betreft de centen, eenvoudiger is geworden om single te zijn (wat hedendaags Nederlands is voor vrijgezel).

Samenlevingsverbanden zijn losser geworden en zullen wellicht nog losser worden. Daardoor ontstaat er ook meer keuzevrijheid, zou je denken. Keuzevrijheid of wij ons leven willen delen en met wie wij dat willen delen en hoe. In dat geval wordt het wel steeds belangrijker dat wij weten hoe en op basis waarvan wij iemand ‘kiezen’; dat wij leren weten waarom wij iemand aantrekkelijk, leuk, lief, mooi, goed, bewonderenswaardig vinden. Als wij elkaar minder in levenden lijve tegenkomen, vaker vreemden voor elkaar zijn, elkaar minder goed kennen, daar misschien ook minder de tijd voor nemen, dan kunnen we proberen elkaar te vinden via internet. Daar creëren wij representaties van onszelf en bekijken wij de representaties van andere mensen van zichzelf. Die representaties proberen wij vervolgens in te schatten op hun aantrekkelijkheid, betrouwbaarheid, hun gepastheid in ons leven.

Dat is ontzettend moeilijk: een inschatting moeten maken van een representatie die iemand op het internet heeft geplaatst. Al was het maar omdat je met een representatie geen liefdesrelatie kunt opbouwen. Daarvoor is nodig en blijft nodig dat mensen vanachter hun beeldschermen vandaan komen en elkaar ervaren, zich aan elkaar laten zien, voelen, horen, ruiken en proeven.

Verder wordt er gezegd dat het leven steeds sneller gaat. Waarmee waarschijnlijk bedoeld wordt dat wij steeds sneller gaan leven. Wat in tijd gerekend onzin is: niemand heeft stiekem speed in onze horloges gestopt. Blijkbaar willen we steeds meer doen in steeds minder tijd en voelen we ons daarom gehaast en opgejaagd. Het kan zijn dat wij daardoor minder tijd zullen overhebben (willen overhebben) voor liefdesrelaties. Aan de andere kant, uit nog gejaagder en prestatiedringender leven zou evengoed een groeiende behoefte aan rust kunnen ontstaan. Wellicht dat we ons meer ideaalbeelden gaan vormen van liefde als een eiland van rust (van uitrusten).

Een risico daarvan is echter dat dit een gat in de markt is voor valse romantiek, voor films, boeken en dromen die ons de liefde voorspiegelen als een paradijs waar eenheid heerst en waar geen mens ons lastigvalt, ook onze geliefde niet, want die is perfect en kent geen problemen. Romantische liefde als opium voor het moegestreden werkvee.

Maar misschien dat een opgefokte prestatiemaatschappij ook kansen biedt, ons bijvoorbeeld de noodzaak doet inzien om zachter voor elkaar te leren zijn, geduldiger, accepterender. Een liefdesrelatie als milde tegenhanger voor wat wij elkaar buiten de deur aandoen. Ik weet het niet. Laten we elkaar niet uit het oog verliezen tijdens het rusteloos najagen van slecht begrepen eigenbelang.

Het mag dan bijna onmogelijk zijn de toekomst te voorspellen, het tegenovergestelde, in het geheel niet nadenken over de toekomst, is niet verstandig. Het is belangrijk dat wij onszelf en elkaar verhalen vertellen over wie wij zijn, willen zijn, en waar wij heen wensen te gaan. Kortom, verhalen over onze idealen.

In het ideaal formuleren wij wat we niet hebben. In het ideaal formuleren wij wat we niet willen verliezen. Wat willen we niet verliezen? Wat willen we verbeteren? Wat hopen we aan en af te leren? Hechte banden? Een verlangen naar blijvende dierbaren? Wat is vrijheid?

Een toekomstbespiegeling is niet compleet zonder een robot. Er is al veel gezegd en gezwegen over de voordelen en gevaren die kleven aan het doen van uitvindingen die ons wel eens boven het hoofd zouden kunnen groeien. Laat ik dan tot besluit een volslagen uit de lucht van 2011 gegrepen suggestie doen voor een toepassing van robots, waar de liefde wellicht bij gebaat is.

Onlangs beleefde de toneelwereld een primeur: een uiterlijk op een mens lijkende robot werd gebruikt in een toneelstuk. Ik zeg nadrukkelijk ‘werd gebruikt’ en niet ‘speelde een rol’ of ‘acteerde’, want ik ben niet zo bijziend dat ik een mens en een robot op één hoop gooi.

Een robot spreekt niet, een robot spreekt tot de verbeelding, onze verbeelding. De robot, genaamd Geminoid F, is een ontwerp van de Japanse robotbouwer Hiroshi Ishiguro. Wat mij vooral trof was iets wat de actrice die in het toneelstuk speelde na afloop zei: dat zij het gevoel had dat ze alleen op het podium stond. De regisseur was aanmerkelijk positiever: de robotvrouw deed exact wat hij wilde.

Helemaal alleen op het podium staan. Is dat niet eigenlijk wat de botteriken, de players, de seksjagers, de aanranders, de verkrachters, de date rapers, willen? Geen contact, geen confrontatie met een andere wil, maar een kritiekloos lijf dat tot hun beschikking staat of ligt, als een welgevormde handschoen die zij over zichzelf heen en weer kunnen schuiven om zo tot een eenzaam maar voor henzelf kennelijk hoogtepunt te geraken?

Als het nu, door onze in toenemende mate gejaagde en jagende manier van leven en langs elkaar heen leven, waarschijnlijk is dat er meer van dergelijke mensen zullen rondlopen, met een libido als een carrière en een geslachtsdeel als een doorgeladen pistool, is het dan misschien een idee, nu we het toch over de toekomst hebben, indien deze mensen hopeloos hardleers blijken en slachtoffers blijven maken, hen te voorzien van robots met de uiterlijke verschijningsvorm van ‘lekkere wijven’? Bij wijze van substituten, waaraan zij zichzelf dan hardhandig kunnen bevredigen. Verplicht én exclusief. Dat wil zeggen, dat seks met mensen hun verboden wordt. Waarom niet? Spelen doe je maar met poppen.

Op deze manier neemt de kans op een ontmoeting met een geliefde met goede bedoelingen misschien toe. Iemand die van ons houdt en van wie wij kunnen houden. Dat zou mooi zijn. Dat zou een liefde van later zijn die het waard is om geleefd te worden.

Al met al denk ik niet dat er heel veel zal veranderen. Wij zullen wel ongeveer dezelfden blijven, en blijven verlangen naar liefde. Hopelijk zullen we er ook naar blijven verlangen om beter te leren liefhebben, en zullen we bereid zijn daar iets voor te doen.

Waar de toekomst is, daar zullen wij ook zijn. Mijn anti-fatalistische motto voor de liefde van morgen zou dan ook zijn: Verbeter de toekomst, begin bij jezelf, en begin nu.

Bewerking van een lezing voor ‘Generatie IK kijkt uit naar 2032’ in De Balie.