Libië en Syrië: twee crises met open eind

Nieuwsanalyse

Het Westen reageert heel anders op de opstand in Libië dan op die in Syrië. In Libië heeft het een oude les weer geleerd: besluiten tot actie is makkelijker dan volhouden.

We kunnen niet aan de kant blijven staan, was het overheersende sentiment toen het westen in maart in actie kwam tegen de troepen van de Libische leider Gaddafi. We kunnen niet zwijgend toekijken hoe zij de opstandelingen in de stad Benghazi bedreigen en misschien wel gaan uitmoorden.

Bijna hetzelfde argument klinkt nu opnieuw, alleen deze keer gaat het over Syrië. De Verenigde Naties kunnen niet blijven zwijgen nu het geweld in Syrië toeneemt, zei de Franse minister van Buitenlandse Zaken Alain Juppé begin deze week.

En opnieuw zal in de Veiligheidsraad een resolutie in stemming worden gebracht, in de vage hoop daarmee een begin te maken met het bezweren van de crisis. Vier Europese landen – Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland en Portugal – hebben de resolutie gisteren aan de raad voorgelegd.

Maar de verschillen tussen internationale reactie op de situatie in Libië en die in Syrië zijn vele malen groter dan de oppervlakkige overeenkomsten. De overtuiging dat ‘we’ in Libië niet aan de kant kunnen blijven staan, leidde meteen na het aannemen van resolutie 1973 tot bombardementen, die na bijna twaalf weken nog steeds voortduren. De resolutie gaf de landen die in actie kwamen toestemming om „alle noodzakelijke maatregelen” te nemen die nodig zouden zijn om de bedreigde Libische burgers te beschermen. Een zeldzaam ruim mandaat, waarmee de NAVO ook de intensieve bombardement op verblijfplaatsen van Gaddafi rechtvaardigt.

De resolutie over Syrië die nu bij de Veiligheidsraad aan de orde is, geeft geen enkel aanknopingspunt om een militair ingrijpen rechtsgrond te geven. Voor de vier landen die er het initiatief toe hebben genomen (met op de achtergrond steun van de Verenigde Staten) gaat het er in de eerste plaats om „niet te zwijgen”, zoals Juppé zei, nu de onderdrukking van de opstand in Syrië steeds agressievere vormen aanneemt.

Landen als Rusland en China mogen vrezen dat de resolutie een eerste stap is op weg naar militaire inmenging in Syrië. Maar voor de betrokken Europese en Amerikaanse landen is het eerder een alternatief daarvoor, een zeer bescheiden middel om de indruk te wekken „iets te doen”, zonder zich daadwerkelijk te hoeven wagen aan een interventie in het Syrische wespennest. Het gaat er meer om iets te zéggen: in dit geval een internationale veroordeling te laten klinken over het geweld van de Libische regering. En meer niet, voorlopig.

Ingrijpen in Syrië zou veel grotere risico’s en onzekerheden met zich meebrengen dan de interventie in Libië. Alleen al de ligging van het land – tussen Libanon, Turkije, Irak, Jordanië en niet te vergeten Israël – geeft aan hoe gevaarlijk destabilisatie kan zijn en hoever de gevolgen kunnen reiken. De nauwe banden tussen Syrië en Iran maken het allemaal nog heikeler. De omvang van de opstand in Syrië is verder niet te vergelijken met die in Libië, waar de opstandelingen al snel een deel van het land onder controle hadden.

Het Westen heeft in Libië bovendien weer een oude les geleerd: dat het makkelijker is om te besluiten tot militair ingrijpen, dan om het vol te houden. Dat het enthousiasme om in te grijpen snel kan verdampen als resultaat uitblijft.

De Amerikaanse minister van Defensie heeft gisteren bij de NAVO in Brussel op een ongebruikelijk directe manier vijf lidstaten, waaronder Nederland, bij naam genoemd en aangespoord om meer te doen. Van de 28 lidstaten nemen er nu slechts acht deel aan de bombardementen (de VS, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België, Canada, Noorwegen, Denemarken en Italië). Bij sommige van die landen en hun luchtmacht treden vermoeidheidsverschijnselen op, terwijl nog steeds onduidelijk is op de operatie nog weken of maanden nog zal hebben om haar doel te bereiken. In Libië mag het vele malen eenvoudiger zijn om resultaten te bereiken dan in Syrië, maar de NAVO begint te beseffen dat de Libische operatie al moeilijk genoeg is.

De NAVO roept nu in het openbaar op alvast plannen te maken voor de volgende fase in Libië – wat er met het land moet gebeuren als het regime van Gaddafi is gevallen. Voor zichzelf ziet de NAVO daarbij geen rol, de Verenigde Naties zouden in die fase het voortouw moeten nemen. Over de mogelijkheid dat er een langdurige impasse ontstaat, waarbij het land in tweeën is gedeeld, zwijgt het bondgenootschap.

Nog groter is de onzekerheid over hoe een volgende fase in Syrië eruit kan zien, met of zonder president Assad.