Libellen dragen geen slipjes

Robert Hass: Een verhaal over het lichaam. Vertaling H.C. ten Berge. Meulenhoff, 188 blz. € 24,95

Het is een dichterlijk moment bij uitstek: de tussenstop op een buitenlandse reis. De Amerikaanse dichter Robert Hass (1941) schrijft erover, in zijn gedicht ‘Layover’, door H.C. ten Berge vertaald met ‘Reisonderbreking’. Hass zit in een vliegtuig dat stilstaat op de luchthaven van Anchorage, Alaska. Wat te doen? De dichter kijkt maar eens om zich heen. Sneeuw, mannen aan het werk op de landingsbaan. Hij vertelt erover in lange zinnen zonder rijm. Hij ziet zonbeschenen sneeuwhopen. De mooie glanslaag is volgens hem het gevolg van ‘de uitlaatgassen van turbinemotoren’, die kunnen draaien dankzij ‘de verbrande koolstoffen van precambrische wouden.’

Binnen een paar regels legt hij een verband tussen heden en allerverst verleden, en tussen schoonheid en ecologisch besef. En daartussendoor speelt een gedachte over de eeuwige kringloop. Het gaat volgens Hass om ‘leven dat weer leven / dat weer leven voedt op de gebruikelijke, onnadenkende wijze’. In die slotwoorden klinkt kritiek door, al heeft Hass zelf in zijn kerosineslurpende vliegtuig niet al te veel recht van spreken, lijkt mij.

Zijn blik dwaalt verder, over de gebouwen, naar de sparrenbossen en nog verder, over de heuvels en de bergen. Hij stelt zich voor dat daar elanden grazen, ‘langs bevroren beken’, en dat er ‘poolvossen jagen in schitterend wit op sneeuwhoenders’. Opnieuw een uitzoomende beweging, weg van dit drukke vliegveld naar sneeuwvlakten ‘waar geen mens het lang zou redden’, van cultuur naar natuur. Opnieuw een zweem van ecologisch besef. Is het gedicht mooi? Och. Is het de moeite waard? Och. Maar er is ook weinig mis mee. Het blijft allemaal bij aandachtig waarnemen en rustig voor zich uit praten. Het gedicht eindigt met een opmerking over ‘de bedompte, steeds weer in- en uitgeademde, / door ons gedeelde lucht’ die steeds weer door het stilstaande vliegtuig wordt geblazen – duidelijk een toespeling op de eerder genoemde kringloop van alles.

Zo schrijft Robert Hass. Noem het een dagboek, of een reisverslag, of een verzameling notities. Soms gedetailleerd, soms algemeen. Soms impressionistisch, soms meditatief, soms politiek-geëngageerd. Het gaat niet echt ergens naar toe. Op dit gedicht volgt een serie ‘notities’. Daarin noemt Hass een aantal dingen die hij óók in ‘Layover’ had kunnen vermelden – over Alaska, de andere passagiers, opgevangen gesprekken. Werpen die extra notities een nieuwe blik op het geheel? Nee. Het is meer van hetzelfde: veel waarnemingen zonder clou.

Bramen

Zo verging het me steeds bij het lezen van Hass. Hij vertelt maar, terloops, over van alles en nog wat. Soms ziet dat er nog wel dichterlijk uit (een gedicht van één regel: ‘rijpe bramen’), soms is het een reeks van korte invallen en associaties (‘Knipsels’), maar meestal neigt het naar wat wij proza noemen. Over reizen, de liefde, liefdesproblemen, over zijn kindertijd en over de natuur – veel namen van onbekende planten en dieren, zoals de blauwvleugeltaling, de gele wyethia’s, de polei en de Steller-gaai.

In Amerika geldt Robert Hass als een groot dichter. Hij is Poet Laureate geweest, en al zijn zes bundels zijn goed ontvangen. Mij lukt het niet zijn grootheid te zien. Hij is mij te wijdlopig en te willekeurig. ‘Er zijn allerlei vormen van leegte en volheid / die zingen en niet zingen.’ Ook het gewichtigdoenerige nawoord van Ten Berge overtuigt mij niet. Zijn vertalingen zijn al even omslachtig, stijf en raar, met veel te veel tegenwoordige deelwoorden. Hij vertaalt ‘the next bench’ met ‘de nabijgelegen bank’. In een verhaal dat in Nederland speelt laat hij Hass vanuit de trein kijken naar ‘libellen in de velden naast de waterwegen’ (‘magpies in the fields beside the watery canals’). ‘Magpies’ zijn eksters. Met ‘a pair of her lemon yellow panties’ zijn niet ‘een paar van haar citroengele slipjes’ bedoeld. Zou een Nederlandse dichter uit zichzelf ooit spreken van ‘valleien die in de verbeelding het diepste / en minst haalbare verlangen om te wonen belichamen’?

Schaamte

De meeste indruk maakt Hass op mij als hij vertelt over zijn jeugd, en dan vooral over zijn alcoholistische moeder. De schaamte en de eenzaamheid van de kleine jongen zijn aangrijpend. Zoals in die scène, in sober proza verteld, waarin hij, tien jaar oud, zijn moeder in het park aantreft, bewusteloos, onder een sinaasappelboom. Hij besluit bij haar te blijven tot ze weer bij komt. Hij wil niet dat de mensen zien wat er aan de hand is. En dus probeert hij zo te gaan zitten dat iedereen denkt dat daar een zoon en een moeder zojuist gezellig hebben gepicknickt samen: ‘een moeder die in het warme licht en de geur van sinaasappelbloesems in slaap was gevallen naast een jongen die daar zat te dagdromen en aan niets in het bijzonder dacht.’

Robert Hass staat op 17, 18 en 19 juni op het festival Poetry international in Rotterdam. Zie www.poetry.nl