Lege zalen - gevolg van het bezuinigingsdebat?

Het toneelseizoen loopt af, en de zalen lopen leeg. Het is schokkend om te zien – de kleine en middelgrote zalen zijn de laatste weken in het beste geval halfvol. Buiten de grote steden is de leegloop nog veel erger. Theatermakers klagen tegen elkaar in de wandelgangen, enigszins besmuikt, want toegeven dat het niet goed gaat qua publieksbereik, staat in deze tijden gelijk aan sociale zelfmoord. Maar dat het voor velen tegenzit, staat vast.

Wat is er aan de hand? Zien we hier de gevolgen van de crisis? Is de sector door het bezuinigingsdebat besmet geraakt? Zou dat, onbewust, een opspelend gevoel kunnen zijn? Theater, dat is een noodlijdend circuit, daar gaat het niet goed, dat is een clubje gedoemde losers, en daar wil je niet bij horen. Het zou kunnen dat zo’n gevoel meespeelt – het liefst willen we allemaal bij de winnaars horen – maar daarnaar handelen is toch een beetje alsof je zou wisselen van voetbalclub als het tijdens een cruciale wedstrijd even minder gaat.

Is er misschien gewoon te veel aanbod voor die kleine en middelgrote zaal? Dat stelde ook de Raad voor Cultuur in haar bezuinigingsadvies aan Halbe Zijlstra. Maar dat is maar een deel van de verklaring, want grote gezelschappen, grote zalen en vrije producties kampen met hetzelfde probleem. Als Toneelgroep Amsterdam Ostermeiers Spoken buiten de Randstad speelt, loopt dat ook niet goed – ondanks bekende acteurs en goede kritieken. De grote publieksproductie De Meeuw van de vrije producent Hummelinck Stuurman trekt zo weinig publiek dat avonden zijn afgelast. En zelfs bij De Kus, ook van Hummelinck Stuurman, met Huub Stapel in de hoofdrol, genomineerd voor de publieksprijs én geselecteerd voor het Theaterfestival, blijven de zalen in de provincie soms leeg.

Grote namen of toegankelijk repertoire garanderen dus geen publiek, al lijkt een groot deel van de programmering voor volgend seizoen wel geënt op die gedachte. Niet voor niets staan ons dan toneelbewerkingen van Kluun en Saskia Noort, van Herman Kochs Het Diner, en van de populaire films When Harry Met Sally en Calendar Girls te wachten. Het Toneel Speelt, dat zich in het bijzonder toelegt op Nederlands repertoire, maakt volgend seizoen opeens een publieksvriendelijke King Lear, met o.a. Bracha van Doesburg.

Maar alsmaar toegankelijker programmeren is geen oplossing, en betekent bovendien het einde van het experiment. Liever zouden theaters, subsidiënten en gezelschappen oude gewoonten onder de loep moeten nemen. Waarom, bijvoorbeeld, moet een voorstelling voor een bepaald subsidiebedrag ten minste veertig keer spelen? Zo dwing je een gezelschap te hoppen van schouwburg naar schouwburg; een avondje in Dordrecht, de volgende in Almere. Er kan nauwelijks aan promotie of publieksbinding worden gedaan, en omdat zo’n voorstelling ergens maar één avond staat, investeert het theater er verder ook niet in.

Nu met de bezuinigingen straks de totale vernietiging van oude structuren dreigt, moet de podiumsector terug naar de tekentafel. Om daarna als een feniks uit de as te herrijzen – in een uitverkochte schouwburg.