'Kunst maakt de mensheid beter'

Mariss Jansons, chef-dirigent van het Koninklijk Concert- gebouworkest, leidt met Tsjaikovski's Jevgeny Onjegin zijn derde scenische opera in Amsterdam. Een gesprek over passie, beschaving, jazz en geld. „Het is een drukke tijd.”

De deur van de dirigentenkamer zwiept even open, sluit nog sneller. Eerst een fris shirt. Mariss Jansons (68) is net klaar met de intensieve repetities voor het verjaardagsconcert van HKH Prinses Máxima. Echtgenote Irina zit in een fauteuiltje stoïcijns een roman te lezen. Op verzoek van een assistent zet Jansons zijn handtekening op een passe-partout: daar komt straks een staatsieportret in als cadeautje voor de Prinses, tevens beschermvrouwe van het orkest.

Jansons oogt monter. Sinds hij vorig jaar een hernieuwde ingreep aan zijn hart onderging, gaat het uitstekend met zijn gezondheid. Je ziet het aan de energieke manier waarop hij dirigeert. Op passie en gedrevenheid bezuinigde hij nooit, maar er waren periodes dat je juist daarom vreesde dat elk concert zijn laatste kon zijn. Jansons kreeg in 1996 een hartaanval tijdens een uitvoering van de opera La Bohème, sindsdien draagt hij een pacemaker. Vader Arvid Jansons, ook dirigent, overleed in 1984 onder identieke omstandigheden.

Maar nu oogt Jansons gewoon als een frisse zestiger. Zijn dieet heeft hij voorgoed aangepast: een schaaltje aardbeien (zonder suiker) staat klaar op het salontafeltje.

„Het is een drukke tijd”, zegt hij. Vorige week zijn de repetities voor Tsjaikovski’s opera Jevgeny Onjegin begonnen, de derde opera waarvoor hij met het Concertgebouworkest meer dan een maand zo goed als woont in de bak van De Nederlandse Opera. „Nee, deze titel was geen persoonlijke droomwens”, zegt hij. „Ik heb geen expliciete voorkeuren binnen het repertoire. Carmen was een beetje bijzonder, omdat mijn moeder die opera vroeger in Riga veel zong, en er dus een zeker jeugdsentiment meespeelde. Onjegin is gewoon een geweldige opera. Maar eerlijk is eerlijk: er zijn er vele waarvan ik dat zou kunnen zeggen; La Bohème, Le Nozze di Figaro.” Hij lacht verontschuldigend; desgewenst zou het lijstje nog een stuk langer kunnen zijn.

Nog steeds combineert Jansons zijn chefschap van het Koninklijk Concertgebouworkest met zijn tweede eigen orkest, van de Bayerische Rundfunk in München. Zowel daar als in Amsterdam worden concerten gepland met Jansons tot in 2016. Nu eens is hij hier, dan weer is hij daar; Jansons probeert consciëntieus zijn aandacht te verdelen. „Het is als twee zonen: je wilt niet voortrekken”, typeerde hij eerder.

In München oefende Jansons Jevgeny Onjegin in eind april dus alvast ‘droog’; hij leidde er twee concertante uitvoeringen, grotendeels met dezelfde zangers als straks in Amsterdam de scenische voorstellingen zingen in de regie van Stefan Herheim (zie inzet).

Eén werk, twee orkesten – het lijkt een ideale casestudy naar Jansons werkwijze bij beide orkesten. Hij kijkt ongelukkig. „Nee toch, alsjeblieft. Ik kan echt niet zeggen of ik mijn orkesten verschillend benader. Ik heb van elk werk mijn eigen interpretatie, en het is niet zo dat ik die verander op basis van het orkest waar ik voor sta.” Daar komt bij dat een concertante opera wezenlijk verschilt van een voorstelling. „In het theater houd ik rekening met de regie. Ik maak me wel altijd van tevoren een klankvoorstelling van wat ik hoop te realiseren. Maar als het zover is, moet je je ook kunnen laten verrassen.”

In de zaal van Het Muziektheater is Jansons met het Concertgebouworkest, koor van De Nederlandse Opera en de elf solisten toe aan de eerste repetities waarin alles moet samenkomen. „Als u hoort dat het geheel ontspoort, bent u ech t te laat. U kunt prachtig zingen, maar u moet ook kijken. Kijken! Beweeg uw hoofd, zoek een monitor, alstublieft: kijk naar mij.”

Wie hem aan het werk ziet, hoort meer dan een excellent dirigent. Natuurlijk, Jansons fascineert door zijn compromisloze perfectionisme, röntgenoor voor details, zuiver gevoel voor effectieve spanningsopbouw. Maar het is zijn heilig vuur dat van vrijwel alle concerten en voorstellingen onder zijn leiding buitengewone, memorabele gebeurtenissen maakt. Jansons dirigeert „extatisch toegewijd” zoals The Guardian laatst schreef.

Het zijn dan ook kunst en religie, vindt Jansons, waarmee de mens zich onderscheidt. Hij lacht verontschuldigend. „Het zal geen nieuws zijn voor u, maar ik blijf het zeggen. Economische groei is belangrijk: onze levensomstandigheden verbeteren erdoor. Maar mensen verbeteren alleen door spirituele groei. Als je daaraan geen aandacht besteedt, wat houd je dan over? Je moet er alles aan doen om kunst te steunen en mensen hun groei te gunnen.”

Maar zowel in München als Amsterdam heeft Jansons het economisch en politiek tij vol tegen. In München – een rijke stad zonder bijbehorend goed concertgebouw– zet hij zich al jaren in voor de bouw van een nieuwe zaal. Vergeefs, voorlopig. „In Amsterdam was ik zeer blij met de subsidieverhoging die men ons recent had gegund op basis van excellent functioneren”, zegt hij. „Ik vond dat een moedig, anti-egalitair besluit. Zonder andere orkesten te beledigen of iets af te doen aan hun waarde gaf Nederland zo aan: het Koninklijk Concertgebouworkest is een nationale schat die wij koesteren.”

De nieuwste plannen van de Raad voor Cultuur en staatssecretaris Halbe Zijlstra zijn voor het orkest minder gunstig. Het orkest genereert de helft van zijn exploitatiekosten (49,4 procent: een recordpercentage) vanuit eigen inkomsten en wordt alom geprezen om spel en koers. Toch adviseert de Raad ook hier een forse subsidiekorting.

Jansons zucht. „Handelend vanuit puur economische gronden is het makkelijk te zeggen: vooruit, het mes erin.”

Hij zwijgt even. Dan opeens woedend: „Het is alsof ze een hapje in je mond stoppen en het er dan weer uithalen! Moet ik hier nu echt gaan uitleggen wat de waarde is van het Rijksmuseum, van het Van Gogh, het Concertgebouworkest? Ik snap niet hoe ze er zelf maar over kunnen dénken om daaraan te komen.”

In München noch Amsterdam verbindt Jansons zijn lot aan de economische conditie van zijn orkesten. „Nee, dat doe ik niet, ik vind dat niet aardig en niet beschaafd. Ik ben geen primadonna, ik heb mijn lot aan die orkesten verbonden. En dus hoop ik tegen de klippen op met kunst te overtuigen.”

Dat staatssecretaris Zijlstra geen verklaard liefhebber is van klassieke muziek vindt Jansons daarbij geen reden voor zorg. „Dit gaat niet over persoonlijke smaak, dit gaat over het landsbelang. Ik heb er begrip voor dat bezuinigen soms nodig is en als ik zou weten hoe dat op een pijnloze manier kan, werd ik zelf politicus. Dus zeg ik: handel vanuit kundige analyse, niet vanuit persoonlijke ressentimenten. Druk de waarde van je culturele instellingen uit in menselijke termen, niet in economische. En denk twintig keer na eer je iets beschadigt wat je niet zomaar weer kunt herstellen.”

Komend seizoen heeft Jansons zichzelf een sabbatical cadeau gedaan. Het is een sabbatical op zijn Jansons: zijn concerten zijn niet geannuleerd, maar gehalveerd in aantal. Zijn eigen orkesten leidt hij alleen op de thuisbases, tournees zijn uitbesteed aan gastdirigenten. Er wacht hem een jaar met 37 vakantieweken.

„Zóveel?” Jansons kijkt geschokt en schudt zijn hoofd. ,,Nee, nee, zoveel zal het vast niet zijn in de praktijk. Ik moet ook reizen, dingen voorbereiden.” En trouwens, hij heeft genoeg plannen voor zijn vrije tijd. „Ik wil meer jazz beluisteren”, zegt hij. „Ik ben opgegroeid in de jaren vijftig en zestig. Jazz was niet officieel verboden in de Sovjet Unie, maar wel ‘ongewenst’. Dus luisterden we allemaal stiekem naar de radio en werden verliefd op wat we hoorden. Toen ik rond 1970 in Wenen studeerde, heb ik daar Ella Fitzgerald gehoord: nog steeds beschouw ik dat als een van de beste concerten die ik ooit heb gehoord. Pas nog was ik in een jazzclub. Ik luisterde geshockeerd naar de professionaliteit en de puurheid. In jazz is geen spel, alles is passie en expressie.”

Jansons – verklaard workaholic die ook zijn vakantiekoffer vooral vult met partituren – grijpt de vrije tijd ook aan voor het bijwonen van repetities onder leiding van andere dirigenten, vertelt hij. „Uitgeleerd? Natuurlijk niet!”

Moeiteloos soms hij op wat hij in wie heeft bewonderd. De trainingkwaliteiten van Mravinski. De fantasie van Stokowski. De elegantie van Haitink. De oprechte passie van Bernstein.

Maar je kunt en zult uiteindelijk niet alles bereiken, zegt hij berustend. „Ik zal niet meer toekomen aan de Matthäus Passion hier in Amsterdam. Een werk zo heilig vergt meer voorbereidingstijd dan ik heb. En als ik me minder dan maximaal voorbereid voel ik me zelf slecht. Dat wil ik niet. Dus begin ik er niet aan.”

Datzelfde geldt voor opera. Jansons doet niets liever, zegt hij. Maar de planning is ingewikkeld. Het zij zo. „Ik kies vooral voor de klassieken. Beethoven, Haydn. Daar ligt nu mijn voornaamste passie.” Hij lacht. „Maar dat kan volgend jaar alweer anders zijn, hoor.”