Kind wil neushoorn worden

Marjolijn Hof: Mijn opa en ik en het varken Oma. Tekeningen van Judith Ten Bosch, Querido, 101 blz. € 13,95, 8+

Ik ken opa’s die de spaghetti van de vorige dag door het pannenkoekenbeslag gooien. Of rijst, of verzuurde melk. De opa van het naamloze meisje in Mijn opa en ik en het varken Oma maakt het ook behoorlijk bont met pannenkoekenbakken. Hij kan niet stoppen. Er is geen houden aan, als een geobsedeerde hoogzwangere móet en zal hij de hele dag doorbakken, stuurt hij zijn kleindochter naar de boerderij verderop voor nog meer melk en eieren, tot het weer is overgewaaid. ‘Morgen is het over. Ik beloof het’. En dan kunnen de overblijfsels in het weiland worden gelegd voor de vogels. Maar tegen zoveel overblijfsels helpt maar één ding, beter gezegd, één vreetzak. En zo komt varken Oma in hun leven.

Een paar jaar geleden oogstte Marjolijn Hof succes met Een kleine kans (2006), waarvan regisseur Nicole van Kilsdonk een film maakt die volgend jaar uitkomt. Hof kreeg de Gouden Griffel en de Gouden Uil, waarbij met name lof was voor haar stilistische gaven en haar fijnzinnige beschrijving van kinderlijk-magisch denken.

Mijn opa en ik en het varken Oma is een heel ander boek, voor jongere kinderen bovendien, maar die fijne zinnen komen hier ook terug in de korte verhaaltjes over de belevenissen van een opa en zijn logé, de kleindochter. Eén verhaal, ‘Neushoorn’, stond eerder in iets andere vorm in Een boek vol beesten (2005), met verhalen over dieren van diverse auteurs.

Dezelfde illustrator, Judith Ten Bosch, heeft er net iets andere tekeningen bijgemaakt. Op haar blog schreef Hof eerder dat dat verhaal speciaal voor haar is, omdat het schrijven ervan zo lekker ging. ‘Ik zat achter mijn bureau en het liep gesmeerd’. Het is dan ook een erg geslaagd verhaal. Kleindochter wil later neushoorn worden, eet gras voor dat doel en ligt ’s nachts te wachten. ‘Ondertussen ademde ik voorzichtig door mijn mond. Mijn neus durfde ik niet te gebruiken. Want er moest een hoorn op groeien. En een verse hoorn ging snel stuk.’ Opa snapt haar wens en geeft haar een nachtzoen. ‘„Nu mag het nog”, zei ik, „Maar als ik een neushoorn ben, is het afgelopen’’.’

Het geestige is dat de rolverdeling voortdurend wisselt: opa is lang niet altijd de verantwoordelijke oudere, meisje moet haar opa wel eens tot de orde roepen. Zo wijst de kleindochter erop dat ‘het zo toch niet altijd door kan gaan’. Zij wordt steeds ouder, ze zal een vriendje krijgen en dan komt er een eind aan hun logeerpartijen. Hij moest maar beter een schootcomputer nemen. ‘Mijn opa duwde zijn handen tegen zijn oren. „Tralala” ’