Kijk, daar! De nieuwe Boon!

Vlamingen zijn geen betere schrijvers, maar wel betere lezers, schrijft Ilja Leonard Pfeijffer deze week in zijn geestige reeks ‘Zelf schrijver worden’. En dan had hij niet eens de top tien gezien: in Vlaanderen staat het Grote Vakantieboek van Hugo Claus op één, in Nederland de beredeneerde keuze uit het archief van Heleen van Royen.

Dat is een grove generalisatie, maar die staat in een lange traditie, zoals blijkt uit ‘Lezer, er zijn ook Belgen’. Interactie tussen de Nederlandse en Vlaamse literatuur via literaire kritiek en uitgeverij (1980-1995). Een proefschrift, inderdaad, waarop neerlandica Floor van Renssen maandag promoveerde. De vijftig pagina’s theoretisch kader (‘De polysysteemtheorie heeft principieel meer aandacht voor dergelijke nuances in de relaties binnen en tussen (sub)systemen’) laten zien hoeveel vreugdeloze tijdverspilling de 21ste-eeuwse universiteit van zijn studenten eist, maar gelukkig heeft Van Renssen daarna nog 450 pagina’s doorgeschreven. Die zijn de moeite waard, alleen al om de minutieuze wijze waarop de promovenda heeft bekeken wat Nederlandse critici over Vlaamse auteurs schrijven. En over welke auteurs. Zo blijkt tussen 1985 en 1990 de jonge Herman Brusselmans de meest gerecenseerde Vlaamse schrijver te zijn, als je Boon en Claus niet meetelt. Maar toen was de lol er weer af: na 1990 staat hij niet eens meer in de top tien.

Fraai zie je kuddegedrag van recensenten. Want wat doe je met een talentvolle Vlaamse schrijver? Juist, je vergelijkt hem of haar met Louis Paul Boon, of het nu Walter van den Broeck, Geertrui Daem of Monika van Paemel is. ‘Er moet ergens een harem van vrouwelijke Bonen bestaan’, schreef Komrij naar aanleiding van Marcella Baete – vermoedelijk een Boon-halfbloedje. Het aardige is dat Nederlandse critici altijd De kapellekensbaan (platteland, bekrompenheid, armoede, erotiek) noemen als ze een Vlaamse schrijver met Boon vergelijken. Soms vergelijken ze een Nederlander met Boon, maar dan noemen ze ineens het vooral in de vorm opmerkelijke Menuet.

Erg origineel zijn critici dus niet. Ik mag het zeggen want ik heb weleens tien Vlaamse schrijvers tegelijk met Boon vergeleken om de stelling ‘De Belgen zijn beter’ toe te lichten. Trouwens, ze zijn echt beter: de laatste vijf AKO- en Librisprijzen gingen naar Vlaanderen. Die kwestie is voer voor een latere dissertatie, waarin de polysysteemtheorie wordt losgelaten op de neiging van critici om het succes te claimen van de auteurs die zij bespreken: Alles is ijdelheid. De Nederlandse literaire kritiek, 2001-2015.