In Staphorst

Staphorst, zo is mij altijd geleerd, is een achterlijk, reactionair gat, het Kunduz van Nederland. Geen wonder dat het alarmerende berichten regende toen hun politieke vertegenwoordiger, de SGP, in de Eerste Kamer opeens een spilpositie bemachtigde. CDA, VVD en PVV hebben de steun van de SGP nodig. Maar aan die steun hangt een prijskaartje waarop geen geldbedrag staat aangegeven, maar een aantal eisen geïnspireerd door het strenge gereformeerde geloof. Althans, dat is de vrees van het progressieve deel der natie. De Staphorster en aanverwante hordes krijgen onverantwoord veel politieke macht in de schoot geworpen, die vooral ten koste zal gaan van vrouwen, homo’s en koopzondagen.

Klopt het? Zal vanuit Staphorst echt het gereformeerde gevaar optrekken om de rest van Nederland aan Gods wetten te onderwerpen?

Vrouwen in Staphorster streekdracht kijken in het voorbijgaan naar mij om terwijl ik voor de ingang sta van de Hersteld Hervormde Kerk – een bloedeloze naam voor een onooglijke bakstenen constructie. Ik schroom om aan te kloppen. Ik ben niet op een kerkbezoek gekleed en vrees de eventuele confrontatie met een zielenherder – ik heb altijd de irrationele angst dat een handige pastoor, imam of rabbijn, als een gewiekste tapijtenhandelaar, mij zijn geloof kan aansmeren.

„Stemt u SGP?” vraag ik een bejaarde heer die vlakbij in zijn keurig verzorgde tuin aan het werk is.

„Jazeker” klinkt het in het knauwende noordelijke accent.

„Wat vindt u van de samenwerking met de PVV en VVD?”

Zijn stoïcijns antwoord legt een meedogenloze machtshonger bloot: „Ze moeten doen wat ze moeten doen, hè?”

In 1961 vond er voor het laatst een volksgericht plaats in Staphorst. Twee echtbrekers werden op een mestkar door Staphorst gereden om door hun geloofsgemeenschap voor rotte vis uitgemaakt te worden. Een soort eerwraak zonder dodelijke gevolgen. Een herhaling van zo’n strafexpeditie lijkt mij uitgesloten. Zulke onmodieuze barbarij zou de stroom aan toeristen kunnen stopzetten. Die zijn er namelijk in overvloed merk ik als ik door Staphorst wandel. Ze bewonderen er de burgerlijke tuintjes en de boerderijen met groene luiken en blauwe kozijnen. „Can we make pikzur of you?” hoor ik een Frans stel vragen aan een Staphorstse in streekdracht. Er ontstaat een moeizame conversatie tussen de Fransen en de Staphorstse, die het gesprek afkapt met: „Sorry, ik spiek niet Engels.”

Landerigheid alom. Dit SGP-bolwerk is Kunduz noch Teheran, maar een uithoek waar niet de minste geestkracht te bespeuren valt. Op 11 juni wordt er zelfs een „allochtonengerechtendag” in het plaatselijke boerderijmuseum gehouden. Dat is geen voortvarende interpretatie van het kabinetsbeleid („Als allochtonen niet vrijwillig opzouten, dan eten we ze op”), maar een echo van de brave multicultitijd van weleer. „Zo leren we wat van elkaars keuken”, zegt een medebezoeker in het museum. „’t Komt de integratie ten goede.”

Geen spoor te bekennen ook van de „poldertalibaan” in wat een winkelcentrum moet voorstellen. Wel veel vrouwen. Hun komt volgens de SGP geen regeermacht toe, dus tijd te over om te shoppen. Ik zie brave scholieren in ordelijke rijen van school naar huis fietsen, en een bleke Bas van der Vlies-achtige vent wat zwerfvuil oprapen. Als een meute puisterige pubers met bierkratten in de hand (op weg naar een „bierkeet”?) voorbij komt , hou ik het voor gezien. Ik moet terug naar Amsterdam, terug naar die heerlijke zondepoel, want van Staphorst valt heil noch onheil te verwachten.