Iedereen wil buiten met kunst spelen

Kunst bloeit nu juist buiten de instituties: Anish Kapoor in het Grand Palais in Parijs, Elmgreen & Dragset in de Onderzeebootloods in Rotterdam, signaleert Pauline Terreehorst. Bij de bezuinigingen moeten we volgens haar met dat gegeven rekening houden.

De Leviathan van Anish Kapoor, die op dit moment in het Grand Palais in Parijs te zien is, zal naar verwachting meer dan 150.000 bezoekers trekken in twee maanden tijd. Het enorme kunstwerk, dat met zijn vier opgeblazen ronde vormen de grote hal van het Grand Palais voor een fors deel vult, is een attractie waarvoor mensen bereid zijn uren in de rij te staan.

Maar waarom? Anders dan voor de grote overzichtstentoonstelling van Manet in het Musée d’Orsay, op dit moment ook een publiekstrekker in Parijs, is er nauwelijks een houvast voor de betekenis van dit werk. Manets ooit zo scandaleuze picknick op het gras (Le déjeuner sur l’herbe, 1863), waarin een naakte vrouw omringd wordt door geklede heren, is met al die andere herkenbare beelden (Olympia, De Fluitspeler) inmiddels opgenomen in de canon van de kunstgeschiedenis. De prentbriefkaarten vinden grif aftrek bij het internationale publiek, de meesten van zekere leeftijd. Zo kunnen ze hun eigen kunstgeschiedenislessen illustreren.

Hoe anders is dat bij Kapoor. Daar fotografeert en filmt iedereen – opvallend veel jongeren! – wat bij Manet natuurlijk niet mag. Iedereen zoekt de mooiste camerastandpunten, maar alles ziet er gefotografeerd goed uit, zowel binnen als buiten het warme roodbruine monster dat Kapoor de veelbetekenende, bijbelse naam Leviathan gaf. Die naam is de enige betekenislaag die hij heeft toegevoegd voor bezoekers die toch nog een houvast voor hun interpretatie zoeken. Voor alle anderen is de hoogstpersoonlijke, sublieme ervaring met vorm en kleur in die warme, ronde ingewanden van dit Art Deco paleis, waarvan het glazen dak zo fotogeniek door het vinyl van de rode bollen schijnt, al meer dan voldoende.

Wat hier gebeurt is overal zichtbaar in de beeldende kunsten: er is een tweedeling gaande tussen museumkunst en kunst die zich daarbuiten manifesteert – soms in de openbare ruimte, soms speciaal gemaakt voor een gebouw of een park. Zeker in deze zomerperiode zijn de voorbeelden legio: van de Onderzeebootloods in Rotterdam, waar Elmgreen & Dragset met The One & The Many een huiveringwekkende installatie laten zien waarin een Oost-Europese nieuwbouwwijk is nagebouwd, tot het Middelheimpark in Antwerpen, waar de Oostenrijkse kunstenaar Erwin Wurm met Wear me out een vrolijke verbinding maakt van sculpturen en kostuums. De Biënnale van Venetië komt daar dan nog bij.

De werken die buiten het museum worden gerealiseerd, zijn vrijwel zonder uitzondering groot. Alsof de tientallen meters hoge sculpturen het willen opnemen tegen de vaak uitzonderlijke architectuur van de nieuwste musea. De binnenkunst legt het daarbij steeds vaker af tegen de buitenkunst waar het gaat om impact, publieksbelangstelling, verbinding tussen jong en oud, insiders en outsiders. De binnenkunst verliest het vooral wat betreft vernieuwing met nieuwe vormen, technieken, materialen en unieke samenwerkingsverbanden. De enorme vinyl bollen van Leviathan hadden niet gemaakt kunnen worden zonder de computerberekeningen van Britse vormgevers en ict’ers (zoals Adam Lowe), Italiaanse materiaaldeskundigen en Franse constructeurs.

Al die buitenkunst is echter wel afhankelijk van een locatie die tot de verbeelding spreekt, een bijzondere omgeving die het werk inkleurt – zoals het hart van Parijs, de havens van Rotterdam of een waterpark in Venetië. Heel vaak is dat dus een stad. Wat begon met de broedplaatsen, vanaf The Factory van Warhol in het centrum van New York, lijkt zo langzamerhand uitgedijd tot de gehele stedelijke omgeving. Niet alleen oude fabrieken en kantoren, maar nu ook complete buitenwijken kunnen veranderen in presentatieruimtes voor beeldende kunst en een scala aan festivals. Hier voel je ook de invloed van de gamecultuur, waarbij eveneens metropolen, inclusief hun grauwe buitenwijken, het speelterrein vormen voor suspense en actie (van Heavy Rain tot Grand Theft Auto).

In al die steden waar de kunsten tijdelijk onderdak krijgen op de meest uiteenlopende en onwaarschijnlijke locaties is er nog een nieuw element zichtbaar. Het publiek mag, nee moet meedoen. Hier vind je geen heilig, stil ontzag voor de kunsten, maar geroezemoes, het flitsen van smartphones, het poseren in en rond de werken.

Er worden op dit moment discussies gevoerd over bezuinigingen in de kunsten. Er worden eensluidende argumenten gegeven waarom je theaters en musea moet blijven steunen: omdat ze toeristen trekken en zorgen voor stijging van de onroerendgoedprijzen. Alsof er nooit iets veranderen zal.

Wie verder heeft leren kijken, vaak ook geïnspireerd door diezelfde kunsten, ziet dat de echte vernieuwers al lang vertrokken zijn. Hele steden zijn de nieuwe musea, de nieuwe podia. Het publiek staat op straat, in het park, op de kade en doet mee. En de werken zijn tijdelijk, veranderbaar, onverkoopbaar, lucht geworden. Maar wel met eeuwigheidswaarde. Want ze blijven bestaan op al die miljoenen beelden in smartphones, op Flickr en YouTube. Je zou het erover moeten hebben hoe je dat allemaal steunen en bevorderen kan.

Pauline Terreehorst is oud-directeur van het Centraal Museum in Utrecht.