Hoe Duits is de Russische ziel?

Het grote denkwerk werd in 19de eeuws Rusland niet verricht door academici, maar door de intelli-gentsia. De kwesties uit de tijd van Gogol en Dostojevski staan nog steeds bovenaan de agenda.

William Leatherbarrow en Derek Offord (red.): A History of Russian Thought. Cambridge University Press, 444 blz. € 98,–

De klassieke Russische literatuur heeft op een ongeëvenaarde manier de diepten van de menselijke ziel verkend. De grote romanciers zijn dan ook vaak als denkers gelezen. Dostojevski’s behandeling van vragen over vrijheid, verantwoordelijkheid en politiek activisme heeft onder meer de Franse existentialisten geïnspireerd; en Tolstojs verheerlijking van de ongeletterde Russische boer had een enorme invloed op Gandhi en Wittgenstein.

De grote filosofische en maatschappelijke discussies van die tijd werden deels via de literatuur gevoerd. Tsjernisjevski’s Wat te doen? (1863), vandaag de dag vrijwel vergeten, maar in Rusland de meest gelezen roman van de 19de eeuw, was een rechtstreekse reactie op de ironische kijk die Toergenjev in Vaders en zonen had gegeven op de jongere, op wetenschap en politiek gerichte generatie. Op zijn beurt inspireerde Tsjernisjevski’s roman polemische reacties in romanvorm (zoals Dostojevski’s Misdaad en straf en Duivels), communes op het platteland, en Lenins gelijknamige politieke pamflet.

Het meest beruchte voorbeeld van deze dialoog tussen filosofisch denken en literatuur is de polemiek rond Nikolaj Gogols komische meesterwerk, Dode zielen (1842). Dat was aanvankelijk door vooruitstrevende tijdgenoten gelezen als een satirische aanklacht tegen de talrijke misstanden in tsaristisch Rusland. Groot was dan ook de verontwaardiging toen Gogol een aantal brieven publiceerde waarin hij de kritiekloze lof zong van tsaar, kerk en lijfeigenschap. Een godvruchtig landeigenaar, betoogde hij, deed er goed aan zijn lijfeigenen er van tijd tot tijd flink met de knoet van langs te geven.

De invloedrijke criticus Vissarion Belinski reageerde heftig op deze visie, die hij – evenals veel andere liefhebbers van Gogols literaire werk – als een persoonlijk verraad ervoer: ‘U heeft een diepgaande kennis van Rusland als kunstenaar, maar niet als denker’, schreef hij verbitterd.

Kortom, filosofisch denken en literair schrijven vallen in 19de-eeuws Rusland niet los van elkaar te zien. Dat wordt ook genoegzaam duidelijk gemaakt in A history of Russian thought, een opmerkelijke, door William Leatherbarrow en Derek Offord geredigeerde bundel. De bijdragen concentreren zich op het zogeheten ‘Gouden Tijdperk’ van het Russische denken, dat samenvalt met de hoogste bloei van de klassieke Russische literatuur, vanaf omstreeks 1830 tot 1880. Toen werden gedachten ontwikkeld over de Russische nationale identiteit, de rol van de orthodoxe religie en de Russische taal daarin, over de plaats die Rusland inneemt tussen Azië en Europa. Inderdaad, allemaal ideeën die relevant zijn voor het huidige Rusland.

Nobelheid

Het Russische denken van het Gouden Tijdperk was geen academische filosofie. De redenen daarvoor waren deels praktisch: tsaar Nicolaas I had de filosofische leerstoelen aan de jonge Russische universiteiten vervangen door theologische. Filosofisch denkwerk werd in de wereld van de literatuur verricht: het was het werk van de intelligentsia, niet van academici. Deze Russische intelligentsia zijn, of waren, wat anders dan intellectuelen in de westerse zin van het woord: ze vertoonden een bijna religieuze gedrevenheid. De bereidheid om voor hun ideeën te lijden en zo nodig te sterven gold als een teken van de nobelheid van hun bedoelingen, of zelfs van de waarheid van hun overtuigingen – zoals de nihilistische terreurgroep in Dostojevski’s Duivels.

Het was Toergenjev die in Vaders en zonen de term ‘nihilisten’ invoerde voor de jongeren die zo radicaal de waarden en idealen verwierpen van eerdere generaties. Maar ‘nihilisme’ is een misleidende naam: het behelsde niet alleen geloof in natuurwetenschap, maar ook een afwijzing van de macht van de orthodoxe kerk, die door velen werd beschouwd als te nauw verbonden met het tsaristische regime.

G.M. Hamburgs hoofdstuk nuanceert het gangbare beeld van de Russische nihilisten als radicaal en vervreemd van zichzelf en de samenleving. Hij wijst juist op de grote rol van maatschappelijke contacten en netwerken, variërend van vriendenkringen op het platteland tot vrijmetselaarsloges en universiteiten in de steden.

Lange tijd is het westerse beeld van het intellectuele leven van deze tijd overheerst door Isaiah Berlins Russian Thinkers, een beetje zoals de Nederlandse visie op de klassieke Russische literatuur is gedomineerd door Karel van het Reve. Berlin legt de nadruk op modernisering, die hij vrijwel gelijkt stelt aan het doordringen van Westerse – en met name liberale – ideeën. Binnen de moderniseerders onderscheidt hij liberale en meer radicale of revolutionaire figuren (de liberaal Herzen, de anarchist Bakoenin), en ‘verwestersers en slavofielen’.

Die aandacht was niet ten onrechte, maar ging ten koste van meer religieuze en conservatieve denkers. Sterker nog gold dat voor ‘oude gelovigen’, een uit de 17de eeuw stammende religieuze protestbeweging, en exotische sekten als de Flagellanten, de Castraten, de Melkdrinkers en de Geestenworstelaars.

Leatherbarrow herstelt de balans met een verhelderend hoofdstuk over vroeg-Russisch conservatisme. Eén van de belangrijkste conservatieve denkers was de historicus Karamzin. Zijn afwijzing van Verlichtingsidealen van rede, rechten en wetten was vooral ingegeven door de Terreur waarin de Franse revolutie van 1789 was ontaard, en door ideeën van de vroeg-romantische denker Johann Gottfried Herder. Pas met het bekend worden van latere Duitse filosofen als Fichte, Schelling en met name Hegel, en van het romantische nationalisme kregen maatschappelijk conservatieve opvattingen een steviger basis.

De beroemdste conservatief is natuurlijk Dostojevski. Die betoonde zich zeer sceptisch over het optimisme van de radicale hervormers van zijn tijd: ‘Het kwaad ligt dieper in ons dan onze socialisten geloven; geen afschaffing van de armoede zal de mensheid redden van abnormaliteit en zonde’, schreef hij. De diepten van de menselijke ziel zijn volgens hem ontoegankelijk voor de wetenschap; maar vaker heeft hij het over een specifiek Russische ziel, die vanwege zijn bijzondere religieuze of spirituele kenmerken ontoegankelijk zou zijn voor de – als westers voorgestelde – materialistische en individualistische rede. Dostojevski’s romans beschrijven een verwesterste elite die zijn Russische identiteit en spirituele wortels in het orthodoxe christendom verloren heeft. De ongeletterde boeren zouden deze wortels wel hebben behouden.

Het is vooral dit conservatief-religieuze element dat lezers als Vladimir Nabokov en Karel van het Reve zo tegenstond in Dostojevski. Het is natuurlijk mogelijk om hem als romancier geweldig en als denker een idioot te vinden; maar die twee zijn niet zo strikt van elkaar te onderscheiden. Ironisch genoeg is het idee van de Verlichting als slechts een oppervlakteverschijnsel dat wezensvreemd was aan de religiositeit van de plattelandsbevolking, zèlf een romantisch cliché: de Russische ziel, kun je zeggen, heeft een Duitse romantische oorsprong.

Het Russisch als cultuurtaal is verbazingwekkend jong: pas na 1750 emancipeerde het van het Kerkslavisch, en van talen als het Frans, Duits en Latijn. Deze nieuwe schrifttaal was niet simpelweg de taal van het gewone volk. De taalkundige Lomonosov formuleerde een invloedrijke theorie die drie stijlen van het geschreven Russisch onderscheidde, elk geëigend voor verschillende soorten teksten.

Manco

Lomonosovs verlichtingsideeën over het Russisch hebben een diepgaande invloed gehad op latere schrijvers als Karamzin, Poesjkin en Gogol – al was het maar om zich tegen hem af te zetten. Helaas blijft deze thematiek van de Russische taal bij Leatherbarrow en Offord nogal onderbelicht, ook al is ze bij uitstek relevant voor elke discussie van de Russische literatuur.

Een nog opmerkelijker manco, van een vooral politiek karakter, is het antisemitisme en de joodse reacties daarop. Deels in reactie op de Russische nederlaag in de Krimoorlog (1853- 1856) maakte slavofilie geleidelijk plaats voor een agressiever panslavisme, dat Rusland als de politieke en spirituele leider zag van alle Slavische volkeren, of zelfs – volgens onder meer Dostojevski – van de mensheid als geheel.

Een keerzijde van dit panslavisme was een steeds heftiger antisemitisme, dat in de jaren tachtig, en opnieuw in 1903, uitmondde in een reeks pogroms en een uittocht van joden naar West-Europa en het Ottomaanse rijk. Het Russische Gouden Tijdperk heeft niet alleen Oorlog en vrede en De broers Karamazov voortgebracht, maar ook De protocollen van de wijzen van Zion.

Al even ambivalent als de visie op het Westen is de Russische constructie van het Oosten. Veel gelovige christenen, en de felste Russische nationalisten, beschouwden alles wat Aziatisch, Mongools, Tataars of islamitisch was als vijand van het echte Rusland; maar de zaken lagen ingewikkelder. In de 19de eeuw ontstond een onderstroom die juist deze oosterse en niet-christelijke trekken benadrukte, en de Russische identiteit of wezenlijk Aziatisch, of als uniek ‘Euraziatisch’ omschreef. Deze onderstroom werd zichtbaar in het zogeheten ‘Zilveren Tijdperk’, in het eerste kwart van de 20ste eeuw: in deze tijd was in sommige kringen het beeld populair van de Russen als afstammelingen van het heidense nomadische volk van de Scythen. Zie Alexander Bloks ‘De Skythen’ uit 1912:

Ja! We zijn Skythen! Ja, we zijn ook Aziaten

Met scheve ogen waaruit hebzucht spreekt.

Na het einde van de Sovjet-Unie in 1991 bloeiden zulke euraziatische ideeën ze opnieuw op in Rusland zelf. Ze benadrukken de bijzondere plaats die Rusland inneemt tussen Azië en West-Europa, zonder ondubbelzinnig tot één van beide te behoren.

Rusland, zei filmmaker Nikita Michalkov onlangs, is niet Europa’s achtertuin maar het voorportaal van Azië. Niet alleen Russisch nationalisme en Eurazianisme hebben sinds de val van het communisme aan terrein gewonnen, maar ook de orthodoxe kerk. Er ziet er dan ook niet naar uit dat liberale opvattingen op korte termijn dominant zullen worden. Het Rusland van de 21ste eeuw, kun je zeggen, is duurzaam gevormd door zijn 19de-eeuwse denkers.