Het was hier dat Dracula in een meisje beet

Stijn Reijnders: Plaatsen van verbeelding. Media, toerisme & fancultuur. Veerhuis, 160 blz. € 20,-

Literaire pelgrimages zijn zo oud als de weg naar Rome. Ouder zelfs. De Grieken reisden naar Delphi om de ijzeren stoel van de dichter Pindarus te zien, Goethe bezocht Italië in de voetsporen van onder anderen Torquato Tasso, Schliemann ging naar Troje om de Ilias te zien. Wie houdt van fictie wil niets liever dan ‘lezen op locatie’ en in contact komen met de plaatsen waar de verhalen zich afspelen.

Vanzelfsprekend is aan dit soort toerisme niets veranderd met de opkomst van nieuwe verspreidingsmethoden voor fictie, zoals film en televisie. Hoogstens de schaal: het Louvre wordt tegenwoordig platgelopen door fans van de Da Vinci Code, Nieuw Zeeland trekt duizenden bezoekers met de opnamelocaties van de Lord of the Rings-films. ‘Mediatoeristen’ heten ze bij communicatiewetenschapper Stijn Reijnders, die een studie wijdde aan wat hij – met een deftige verwijzing naar het historische begrip lieux de mémoire – aanduidt als ‘plaatsen van verbeelding’: locaties van beroemde films en tv-series. Drie jaar lang, en met 250.000 euro subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), maakte hij reisjes door Europa en vroeg hij toeristen en reisoperators naar hun ervaringen met Morse- en Baantjertours (door Oxford en Amsterdam), James Bond-pelgrimages (over de hele wereld) en Draculareizen (naar Transsylvanië en de Noord-Engelse plaats Whitby waar Bram Stoker het grootste deel van zijn vampierroman situeerde).

Veel levert dat niet op. Ja, mediatoeristen controleren nauwgezet of de routes die James Bond en Appie Baantjer afleggen wel mogelijk zijn in de echte wereld (dit wordt door Reijnders de ‘rationele modus’ genoemd). Morse-fans zitten graag in dezelfde pub als hun favoriete inspecteur (de ‘emotioneel-intuïtieve modus’). Dracula-aficionado’s doen aan ‘re-enactment’, het op locatie naspelen van scènes uit boek en film, en denken dan terug aan de eerste keer dat ze die scènes lazen of zagen (een ‘proces van reminiscentie’). En de eindconclusie: ‘herinnering [blijkt] een belangrijke rol te spelen in de wijze waarop “plaatsen van verbeelding” worden beleefd.’

Af en toe is het alsof je een parodie leest op een wetenschappelijk onderzoek; bijvoorbeeld bij de volgende vraag in het Bondhoofdstuk: ‘hoe is de rituele overschrijding van de grens binnen/buiten de media verbonden aan de instandhouding van de dominante gender-vertogen uit de Bondteksten.’ De wetenschappelijke tochtstrip op alle open deuren in Plaatsen van verbeelding wordt wel vaker gevormd door citaten van – en verwijzingen naar – postmoderne mediafilosofen als Deleuze en Baudrillard, al wordt de naam van de laatste (tot twee keer toe) fout gespeld. Net als die van Edgar Allan Poe, Ian Fleming en John Thaw, alsmede de woorden ‘weids’, ‘souvenirs’, ‘naar verluidt’ en een paar andere werkwoordsvervoegingen. En dat zijn niet de enige slordigheden: Armando krijgt een verkeerd geboortejaar, er is sprake van een ‘rite of instution’ en op pagina 134 begint een conclusie met de woorden ‘Het kan welvoeglijk worden aangenomen dat…’

Een kwart miljoen euro (voor een onderzoek dat overigens best in anderhalf jaar had kunnen worden voltooid) en dan niet eens geld reserveren voor een redacteur of een corrector. NWO moet door sterrenstof zijn verblind.