Het verschil tussen zwart en zwart

Een nieuw boek biedt een schat aan persoonlijke verhalendie een nieuwe dimensie geven aan de bekende geschiedenis van de zwarte trek naar het noorden in ‘de Amerikaanse Eeuw’.

Isabel Wilkerson: The Warmth of Other Suns. The Epic Story of America’s Great Migration Random House, 622 blz. € 30,-

Tussen 1915 en 1970 vond er in de VS een immense volksverhuizing plaats. Bijna zes miljoen Afro-Amerikanen besloten om hun geboortegrond in het zuiden te verruilen voor de grote steden in het noorden en het westen: met name New York, Detroit, Chicago en Los Angeles. Een volksbeweging die het land volledig van aanzien deed veranderen. In de eerste plaats natuurlijk de samenstelling van de grote steden; in Chicago bijvoorbeeld groeide het aantal zwarte inwoners van 44.000 tot ruim een miljoen. En er kwam een nieuwe segregatie tot stand. De blanke stadsbevolking vluchtte naar de voorsteden, of verzette zich hevig tegen de komst van zwarte gezinnen in de wijk.

Op het eerste gezicht zou je zeggen dat ze daarin gelijk hadden. Alle steden waar zwarte zuiderlingen hun toevlucht zochten vielen tijdens de tweede helft van de 20ste eeuw ten prooi aan verloederde stadswijken, drugshandel, gangs en straatgeweld. De Amerikaanse journaliste Isabel Wilkerson, zelf dochter van ouders die het zuiden ontvluchtten, verzet zich tegen de bestaande beeldvorming dat de ‘Great Migration’ tot het verval van de noordelijke grote steden heeft geleid. De overgrote meerderheid van de migranten was net zo goed opgeleid als de zwarte bevolking die al in het noorden woonde, vergeleken met hen waren de nieuwkomers zelfs een stuk gedisciplineerder: ze werkten harder, verdienden meer, bleven vaker trouw aan hun gezin.

Deze statistieken haalt Wilkerson uit recent sociologisch onderzoek. Het onderzoek dat ze zelf deed voor haar boek The Warmth of Other Suns illustreert dit algemene beeld: uit meer dan 1.200 interviews met migranten bouwde Wilkerson een groepsportret op van de laatste generaties van de Great Migration. Uit de levensverhalen die Wilkerson uit hun mond optekende blijkt dat deze immigranten een volledig andere instelling hadden dan veel van de in het noorden opgegroeide zwarten. Ze waren gezagsgetrouw, kenden een ijzeren werkdiscipline, en waren vastbesloten om hun levens te laten slagen. Toen Wilkerson hen ontmoette woonden ze soms al meer dan een halve eeuw in Chicago of New York, maar diep in hun hart waren ze zuiderlingen gebleven.

Zoete aardappeltaart

In het eerste deel van haar boek wekt Wilkerson de vergane, soms bijna magische wereld op van het zuiden van de VS in de vroege 20ste eeuw: de wereld van katoenplukkende zwarte pachtboeren, officieel dan wel vrije Amerikaanse burgers sinds de zuidelijke staten de Burgeroorlog hadden verloren in 1865, maar in de praktijk waren ze horigen in een feodaal systeem van leenman en leenheer. Een wereld vol sterke familieverhalen, vol typisch zuidelijk eten (maïsbrood, zoete aardappeltaart), een wereld van hoffelijkheid, waarin meisjes maanden bezoek kregen van bewonderaars met de pet in de hand, terwijl de moeders ze nauwlettend in de gaten hielden.

Het hechte gemeenschapsleven van de zwarte zuiderlingen was rond de kerk georganiseerd, de enige plek waar ze zelf zeggenschap over hadden. Daarbuiten heerste ‘Jim Crow’, het stelsel van geschreven en ongeschreven wetten die de segregatie tussen zwarten en blanken afdwongen – vernoemd naar een 19de-eeuwse folkloristische zang-en-dans act waarin een zwarte staljongen bespot werd. Vlak na de Civil War probeerden noordelijke bestuurders de Jim Crow-wetten terug te draaien, maar toen ze in de jaren 1870 weer naar het noorden vertrokken werden die met dubbele kracht heringevoerd door de blanke zuiderlingen.

Wilkerson heeft een scherp oog voor de sociale mechanismen van onderscheidingsdrang die achter de zuidelijke segregatie school, onderscheidingsdrang die net zo goed binnen de zwarte bevolking leefde. Het was een kastensysteem, benadrukt ze terecht, niet louter door racisme gevoed maar ook door de behoefte om vast te blijven houden aan de vertrouwde orde der dingen.

Dat nam niet weg dat het voor zwarten levensgevaarlijk was om zich in deze overgevoelige sociale hiërarchie te begeven. Als je je niet aan de ongeschreven regels hield, van de stoep afstapte als een blanke je tegemoet kwam, geduldig wachtte bij het loket of de benzinepomp tot eerst alle blanken voor en na jou geholpen waren, riskeerde je mishandeling, en in het ergste geval de dood.

Van al de migranten die ze interviewde tekende Wilkerson zoveel gruwelverhalen op over lynchings en ander racistisch geweld dat het soms lijkt dat ze haar eigenlijke onderwerp uit het oog verliest. Maar goed, voor veel van haar hoofdpersonen was dit simpelweg de reden om de knoop definitief door te hakken en naar het noorden te vertrekken. De in Mississippi opgegroeide Ida Mae Brandson bijvoorbeeld, een van Wilkersons hoofdpersonen, besloot met haar man en kinderen naar Chicago te verhuizen nadat een neef met kettingen in elkaar was geslagen en in de cel was gestopt omdat hun pachtheer een aantal van zijn kalkoenen miste.

Plukkers

En een ander centraal figuur in het boek, de sinaasappelplukker George Starling, vertrok van Florida naar New York nadat hij in 1944 als officieuze vakbondsleider hogere betaling had geëist voor de dagloners. Normaal gesproken waren er voor de blanke fruittelers genoeg plukkers om uit te kiezen, maar tijdens WO II was er een tekort op de arbeidsmarkt ontstaan. Nadat hij een zomer in Detroit in de vliegtuigenfabriek had gewerkt, waar vakbondsrellen waren uitgebroken, wist George Starling hoe je als arbeider voor jezelf op moest komen.

Maar in Florida golden andere wetten: politieagenten dreven hier de zwarte dagloners met geweld naar de boomgaarden, en Starlings bange medeplukkers gaven zijn naam door aan de autoriteiten. Hij moest nu voor zijn leven vrezen. Er waren in de jaren veertig genoeg gevallen bekend van zwarten die vermoord waren omdat ze voor hun rechten opkwamen.

De pieken van de Great Migration vonden tijdens WO I en WO II plaats en dat was niet toevallig. Ineens zaten de noordelijke steden om arbeidskrachten verlegen. Maar al verdienden zwarte arbeiders hier meer dan ze in het zuiden ooit voor mogelijk hadden gehouden, het noorden bood niet de onbezorgde en veilige toekomst waar ze naar verlangd hadden. Voor Ierse, Italiaanse en Poolse arbeiders was de aanvoer van goedkope zwarte arbeidskrachten uit het zuiden aanleiding om voor hun eigen positie te vrezen. En zo ontstonden er in de noordelijke steden nieuwe vormen van segregatie en racistisch geweld. Blanke vakbonden verzetten zich tegen de komst van nieuwe zwarte collega’s, blanke stadsbewoners weerden zich tegen zwarte nieuwkomers in de wijk.

In de tweede helft van haar boek legt Wilkerson andermaal de onderscheidingsdrang bloot die schuilt achter de Amerikaanse Droom. Want niet alleen de blanke bevolking ontvluchtte de uitdijende migrantenwijken in Chicago en New York. Zwarte advocaten en leraren deden hetzelfde. Zij wilden evenmin geassocieerd worden met de voormalige pachtboeren en dagloners uit het zuiden. En op hun beurt probeerden pas gearriveerde migranten zich te onderscheiden van de achterblijvers in het zuiden. Ze stuurden meer geld naar familie dan ze konden missen, pronkten met nieuwe kleren en auto’s die te duur voor hen waren als ze op familiebezoek kwamen – alles om te laten zien hoe geslaagd ze nu waren in het leven.

Oprah Winfrey

Over het algemeen is haar boek vooral een eerbetoon aan de persoonlijke moed van de zes miljoen zwarte Amerikanen die hun lot niet meer voor lief namen, die de gok besloten te wagen en een ‘betere toekomst voor hun kinderen’ bevochten. In die laatste huldiging schuilt meteen de zwakke plek van Wilkersons betoog. Want hoe succesvol sommige kinderen van migranten ook zijn geworden (Wilkerson noemt James Baldwin, Michelle Obama en Oprah Winfrey), ze moet ook schoorvoetend toegeven dat een belangrijk deel van de migrantenkinderen helemaal niet op het goede pad terecht kwam, en dat dat deels te maken had met hun afwezige ouders, die het te druk hadden met het verzilveren van hun migratie en volstrekt geen benul hadden van de gevaren van de grote stad. Doordat ze dit soort negatieve gevolgen van de Great Migration niet als zodanig benoemt, en door de vele herhalingen in het boek die debet zijn aan de onhandige chronologische opbouw, wekt Wilkerson soms de indruk een politiek correcte boodschap bij de lezer in te willen rammen. Dat is jammer, want The Warmth of Other Suns biedt een schat aan persoonlijke verhalen en onbetaalbare details die een nieuwe dimensie geven aan de reeds bekende geschiedenis. Wilkerson is ook helemaal niet zo kritiekloos als ze soms lijkt. De donkere kanten van de Great Migration verzwijgt ze niet, ze legt er alleen geen nadruk op. De meest aandoenlijke passages in het boek laten wel degelijk zien wat de bittere nasmaak van de Great Migration was, als Wilkerson haar hoofdpersonen beschrijft als ze aan het eind van hun leven zijn aanbeland; hoe Ida Mae Brandson nu een oude achteroma is in Zuid Chicago die bezorgd uit haar raam al het bendegeweld en de drugshandel volgt. George Starling is een plichtsgetrouwe koster van zijn kerk geworden, maar hij heeft zijn zoon moeten zien sterven die zijn laatste dagen eenzaam in een kelderwoning in Harlem sleet. Je voelt als lezer hoe groot de culturele kloof is tussen deze zachtaardige zuiderlingen van weleer, in volstrekte nederigheid en rechteloosheid opgegroeid, en de generaties na hen die voor een groot deel ontspoorden in de noordelijke steden waar hún wieg stond. Geen wonder dat veel immigranten aan het eind van hun levens terugverlangen naar hun zuidelijke geboortegrond, waar het leven nog gemoedelijk was en de mensen nog tijd hadden voor elkaar. Misschien is het daarom toch goed dat Wilkerson in haar boek zoveel aandacht schenkt aan de onderdrukking die ooit in het zuiden de dienst uitmaakte. Haar eigen hoofdpersonen zijn het al bijna vergeten.