Het NHM is geschiedenis

Met het Nationaal Historisch Museum ging het net als met een paar andere reusachtige projecten. Geestdriftig verzonnen, veel bijval gekregen, een plan kreeg vorm, er ontstond een tegenplan, discussies werden onoverzichtelijk en langzamerhand verloor dit magnifieke project zijn geloofwaardigheid.

Zo ongeveer is het gegaan met de Betuwelijn, de Hogesnelheidslijn, de NoordZuidlijn, de vernieuwing van de grote Amsterdamse musea, en nu weer, op een andere manier met het NHM, waar staatssecretaris Halbe Zijlstra dinsdag definitief een streep onder zette.

Het is altijd een andere samenloop van oorzaken. Plannenmakers hadden zichzelf overschat, er ging een aannemer failliet, onverwacht stortte het een en ander in, opeens was er geen geld meer, hoe dan ook, ten slotte kwam het telkens op hetzelfde neer: een investeringsruïne van illusies. Hoe zijn we er destijds in geslaagd, de Deltawerken te voltooien? Het NHM zou eerst in Arnhem komen, daarna in Paleis Soestdijk. Ik was voorstander van het Paleis, een prachtig, groot gebouw dat nu leeg staat en waarvoor ik niet zo vlug een andere bestemming zou weten.

Waarom zouden we juist nu zo’n museum hadden moeten hebben? Om het volk in zijn identiteit te bevestigen. Volgens sommige politici dreigen we geïslamiseerd te worden. Binnen een generatie iedere Nederlander één keer per dag op de knieën met het hoofd naar Mekka en alle vrouwen met een hoofddoek. Anderen denken dat we zullen worden meegesleept in de tsunami (vloedgolf noemden we het nog een paar jaar geleden) van de mondialisering. Er zijn profeten die geloven dat de natie zich langzaam zal hervormen tot het wereldcentrum van voetballen en lol trappen waarbij alle Nederlanders elkaar één keer per jaar zullen uitschelden. Zo zijn er nog meer visies.

Een nationaal museum had zulke radicale ontwikkelingen kunnen helpen voorkomen. Het had een instituut kunnen zijn waarin de nationale continuïteit verankerd ligt.

Hoe deden we dat vroeger? Voor de kinderen van mijn generatie begon het thuis. Nog voor de lagere school hadden we al een beetje lezen en schrijven geleerd. Dan kwam Koninginnedag, 31 augustus. Vuurwerk en het Wilhelmus zingen. Trots zijn op nationale prestaties. Ons vliegtuig, de Uiver, werd tweede in de Melbourne Race en won de handicap race. Op school hingen de platen van J.H. Isings waarop je tot in de details kon zien hoe het vroeger geweest was. Meneer of de juffrouw vertelde over de hunebedbouwers en de koepelgrafbouwers. In 814 werd Bonifacius bij Dokkum vermoord. In 1296 overkwam het Floris V, der keerlen god. Dan 1572, in naam van Oranje doe open de poort! De Watergeuzen. De Tocht naar Chatham! Het nationaal museum begon al op de lagere school. Het besef van nationale identiteit was een bestanddeel van je bewustzijn dat, te beginnen in je vroege jeugd, van dag tot dag verder werd opgebouwd. Het onderwijs waarmee vroegere generaties, tot de invoering van de mammoetwet zijn opgegroeid, bestaat niet meer. Mijn generatie had een jaartallenboekje, het staketsel van de geschiedenis dat je uit je hoofd moest leren. Dat is uit de mode geraakt. Nu er geen NHM komt, kun je een monument oprichten, een grote, gammele, chaotische sculptuur. De investeringsruïne van verloren illusies. Waarschijnlijk nog veel goedkoper ook.