Het grote zwijgen

Ontroering is een subjectief affect. Dat blijkt maar weer eens als ik bij Janet Luis lees dat zij niet ontroerd was door Erik Menkvelds Het grote zwijgen (Boeken, 03-06-11). Ik daarentegen wel, en dat gebeurt me niet vaak bij boeken.

Haar andere bezwaar gaat over de hoge toon die in het boek gebezigd wordt tussen Alfons Diepenbrock en Matthijs Vermeulen. Maar in het boek zijn we in het eerste en tweede decennium van de 20ste eeuw, en wat mij betreft heeft Menkveld het idioom van die bevlogen dagen perfect getroffen. Het gaat hier over honderd jaar geleden, aanpassen aan het spraakgebruik van nu zou een anachronisme geweest zijn, en daarmee een vervalsing.

Het boek geeft een prachtig, bijna nostalgisch beeld van het Amsterdam van die dagen, waarin de polder nog praktisch grenst aan het Concertgebouw. De roman geeft een inzicht in de verhouding Diepenbrock-Mahler, en in het latere conflict Diepenbrock-Vermeulen, het laat ook veel zien van het karakter van Willem Mengelberg, en van de richtingenstrijd in de muziek van die tijd, de huivering voor Schönberg, de worsteling om een nieuw idioom te vinden.

Ik zou het doodzonde vinden als door deze kritiek het werk van jaren met allerlei fascinerende historische details ongelezen zou blijven. De media van die jaren, de Groene, de Tijd, de dreiging van de oorlog, de negatieve rol van de criticus van de NRC in verband met het werk van Diepenbrock, ik ben er behoorlijk veel wijzer van geworden, al was het maar omdat ik nu weet dat De Telegraaf ooit een progressief dagblad was, en omdat ik nu dolgraag een keer het Te Deum van Diepenbrock en de Tweede Symfonie van Vermeulen zou willen beluisteren.

Cees Nooteboom, San Luis