Forrest Gump bij de Cuba-revolutie

Twee revolutionaire levens zijn verbeeld in twee zeer uiteenlopende strips. De ene is verant-woord, de andere is rauw en subjectief. Beide zijn verbazingwekkend.

Reinhard Kleist: Castro. Vert. Arend Jan van Oudheusden. Silvester, 288 blz. € 19,95

H.G. Oesterheld, A. Breccia, E. Breccia: Che. Vert. Arend Jan van Oudheusden. Silvester, 96 blz. € 19,95

Zaterdag 5 maart 1960. De Duitse journalist Karl Mertens verslaat in Havana de herdenking van de slachtoffers van de aanslag op het vrachtschip ‘La Coubre’. Zowel Fidel Castro als Che Guevara is aanwezig. Mertens maakt foto’s van Castro en zoekt in het publiek naar Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre. Naast hem staat ook Alberto Korda te fotograferen. Hij maakt twee foto’s van Che Guevara. Een van die portretten, de iconische foto ‘Guerrillero Heroíco’, werd kort na Che’s dood voorzien van verhoogd contrast en een rode achtergrond – het werd hét beeld van de Cubaanse revolutie.

Karl Mertens is een beetje de Forrest Gump of zo je wilt de Harry Mulisch van Castro, de stripbiografie van Fidel Castro die de Duitse tekenaar Reinhard Kleist maakte en die onlangs in vertaling is verschenen. Forrest Gump, omdat Mertens een verzonnen personage is dat ‘toevallig’ belangrijke gebeurtenissen bijwoont in het Cuba van de jaren vijftig en zestig. Zoals het fotomoment van Korda. Zoals, later in de stripbiografie maar eerder in de tijd, zijn verblijf bij Castro in het kamp in de Sierra Maestra. Batista is dan nog aan de macht.

Het verschil tussen Mertens en Gump is dat voor Gump een cruciale rol is weggelegd in het sturen van de geschiedenis wanneer hij Elvis Presley leert dansen), terwijl Mertens is gecreëerd om een observator in de buurt van de geschiedenis te hebben.

Een ‘Harry Mulisch’ is Mertens omdat hij als westerling in de ban raakt van de Cubaanse revolutie. Net als Mulisch reist Mertens naar Cuba af. Mulisch in 1967 en 1968, de fictieve Mertens al in 1958, naar aanleiding van een (op 24 februari 1957 daadwerkelijk op de voorpagina van The New York Times gepubliceerd) interview van Herbert Matthews met Fidel Castro: ‘Cuban Rebel Is Visited in Hideout – Castro Is Still Alive and Still Fighting in Mountains’.

Eenmaal in Cuba dringt Mertens net als Matthews door tot de entourage van Castro en kan zo diens leven verslaan. Mertens ontlokt Castro dezelfde uitspraak als Matthews deed: ‘Eind dit jaar zijn wij helden of martelaars.’ En net als Mulisch ziet Mertens Cuba als een waarachtige democratie, een antwoord op het verwerpelijke kapitalisme van met name de VS. Hij blijft er zijn leven lang en weigert om zich definitief af te keren van, om met Mulisch te spreken, ‘de oude geliefde’. Ondanks dat Cuba inmiddels toch verworden is tot iets wat verdacht veel lijkt op een totalitair regime, inclusief politieke gevangenen.

Kleist is de beste striptekenaar van Duitsland. In Nederland verscheen van zijn hand onder meer Cash – I see a darkness, een prachtige stripbiografie van Johnny Cash (besproken in Boeken, 17-04-09). De kracht van Kleist bij Cash was dat hij van de liedjes aparte stripverhalen maakte, die hij verwerkte in de rest van het verhaal. In die sequenties slaagde hij er wonderwel in om de sfeer van de muziek in beelden te vangen.

Castro is minder experimenteel dan Cash, maar in zijn tekeningen, opgebouwd uit losse streken zwarte inkt, is Kleist verder gegroeid. Ook de opbouw van de scènes is nog gracieuzer geworden. Kleist is eigenlijk een filmer die niet wil samenwerken. En omdat hij goed kan tekenen hoeft dat ook niet: hij is immers zelf scenarist, regisseur, cameraman, castingbureau en kledingadviseur ineen.

Castro is een filmisch boek, maar is het verhaal ook betrouwbaar? Het ligt voor de hand het op principiële gronden oneens te zijn met iemand die in een biografie een fictief personage opvoert. Toch komt Kleist er goed mee weg. Volker Skierka, wiens Castro-biografie al her en der is vertaald, beschrijft in de inleiding hoe ‘waarschijnlijk’ een personage als Mertens is – dergelijke verhalen waren er echt: ‘Daarmee karikaturiseert hij precies zulke westerse intellectuelen die al te gretig voor de socialistische romantiek van een dergelijke beweging in een vreemde cultuur bezweken.’

Zo netjes verantwoord als Kleist is (hij legde het scenario zelfs eerst voor aan Skierka), zo rauw en subjectief zijn vader en zoon Breccia, die samen de stripbiografie Che tekenden op basis van een scenario van Héctor Germán Oesterheld. Het boekje verscheen al in 1968, een jaar nadat Che Guevara stierf, en het ademt van begin tot eind de verheerlijking die toen op haar hoogtepunt was.

De strip van de drie Argentijnen werd na de staatsgreep in dat land verboden, Oesterheld werd in de jaren zeventig vermoord omdat hij lid was van de guerrillagroepering Los Montoneros. Vader Breccia begroef de strip in zijn tuin, gelukkig maar, want de geheime dienst had inmiddels de originele platen vernietigd.

De tekenstijl oogt modern, die van de zoon, die de laatste dagen van Che verbeeldde, nog vernieuwender dan die van de vader. Zo vermengt zoon Breccia realistisch getekende personages met boosaardige poppetjes: de militairen. Met de blik van nu is het verbazend dat de junta zo beducht was dat de bevolking van Argentinië aan de haal zou gaan met de ideologie van Guevara. Eigenlijk is de mislukking van de revolutie al verpakt in dit gecondenseerde verslag: Guevara sterft zonder noemenswaardige doelen bereikt te hebben.

Zo positief als de Argentijnen in hun strip zijn over Che en de manier waarop hij de jeugd in beweging zette, zo somber zien ze de revolutie in. Zoon Breccia citeert de historica Claudia Peiro in een bij de strip gevoegd interview: ‘Che Guevera geloofde dat de politiek een instrument is om de werkelijkheid te veranderen. De meesten die nu in de politiek gaan, doen het om zich beter aan de werkelijkheid aan te passen.’

Het besluit van uitgeverij Silvester om Che na ruim veertig jaar alsnog te vertalen en in Nederland uit te geven is prijzenswaardig, maar vooral omdat het een mooi tijdsdocument is. Het werk van Kleist over Castro is ook geëngageerd, dicht op de huid, maar hij weet uiteindelijk meer afstand te bewaren van de materie, waardoor het een interessanter boek werd.