Europarlement: EU-begroting moet omhoog

Het Europees Parlement ligt op ramkoers met regeringen over de begroting van de Europese Unie. Het stemde voor verhoging van het EU-budget, terwijl veel lidstaten dat juist willen bevriezen.

Het Europees parlement wil dat de komende meerjarenbegroting van de Europese Unie „zeker 5 procent” hoger uitvalt dan de huidige. Een ruime meerderheid van de parlementariërs stemde gisteren in Straatsburg vóór zo’n verhoging. Daarmee gaat het parlement lijnrecht in tegen enkele EU-landen, waaronder Nederland, die de EU-begroting juist willen bevriezen.

Voorlopig wordt er niets beslist. De onderhandelingen over de komende meerjarenbegroting, die loopt van 2014 tot en met 2020, beginnen later deze zomer en kunnen een jaar duren. Eind juni maakt eurocommissaris Janusz Lewandowski (Begroting) een voorstel waarover lidstaten en parlement gaan onderhandelen. In die zin was de stemming gisteren vooral een schot voor de boeg. Lewandowski voorspelde „moeilijke onderhandelingen”.

In de meerjarenbegroting wordt altijd vastgelegd waar het Europese geld – nu 0,9 procent van het gezamenlijke bruto binnenlands product van de 27 EU-landen – in zeven jaar precies heen gaat. De zeven jaarlijkse begrotingen die daarin passen, moeten zich strikt aan die verdeling houden. Nu wordt bijna 80 procent besteed aan landbouwsubsidies en cohesiefondsen om armere regio’s te helpen. De bestuurlijke kosten zijn relatief laag: ongeveer 5 procent.

Nederland en Groot-Brittannië, die bijvoorbeeld willen dat er minder Europees geld naar Landbouw gaat en meer naar Onderzoek, moeten dat dus nú uitonderhandelen. Anders moeten ze zeven jaar wachten voor ze weer een kans krijgen. Maar landen als Frankrijk en Polen, die verhoudingsgewijs veel profiteren van landbouw- en cohesiegelden, willen daar niets van weten. Omdat het meeste geld in de vorm van subsidies en projecten terugvloeit naar de lidstaten, gaat iedereen tijdens de onderhandelingen vechten voor het behoud van dat onderdeel waar hij zelf het meest aan verdient. Voor Nederland zijn dat onderzoeksprojecten.

In het Europees Parlement stemden 486 leden vóór een verhoging van de meerjarenbegroting, 134 stemden tegen en 54 onthielden zich. Velen stemden niet zozeer voor omdat ze vinden dat de 27 EU-landen meer geld aan Europa moeten uitgeven, maar uit vrees dat er bij de onderhandelingen geen structurele veranderingen in de besteding zullen komen. Zij willen naar de hele begroting kijken voor de komende zeven jaar, en een nieuwe verdeling van uitgaven maken.

Dit voorjaar bepleitten vijf premiers, onder wie Cameron (Groot-Brittannië) en Rutte (Nederland), bevriezing van de de EU-begroting. Zij redeneren: als landen moeten bezuinigen, moet ‘Brussel’ dat ook. Zij willen ook de inflatie niet corrigeren. Hun voorstel komt dus neer op een verlaging van de EU-begroting.

Frankrijk en Roemenië achten snijden in landbouwsteun taboe. En twaalf landen, waaronder Polen en Spanje, willen geen bezuinigingen op armoedebestrijding. Dit betekent dat alle bezuinigingen uit een piepklein budgetdeel moeten komen.

De Spaanse conservatief Salvador Garriga Polledo, die de tekst had geschreven waarover werd gestemd, zei gisteren dat het dwaas is dat landen landbouw- en andere subsidies overeind houden en bijna alleen nog kunnen snijden in bestuurskosten. In een week waarin nationale ministers oproepen tot méér Europese hulp aan de Libische bevolking en 300 miljoen euro compensatie voor gedupeerde komkommerboeren, zei Garriga Polledo: „We moeten stoppen met de slechte gewoonte politieke beloftes te doen zonder daar geld voor beschikbaar te stellen.”

Veel Europarlementariërs zeggen dat ze moeite hebben om dit gecompliceerde verhaal thuis uit te leggen. Ze vechten vaak meer met hun eigen partij in hun thuisland, dan met Europarlementariërs van andere partijen. Zo wil de PvdA in Nederland de EU-begroting bevriezen, maar stemden veel sociaal-democraten in Straatsburg vóór de verhoging; de drie PvdA’ers onthielden zich.