Etniciteit alom in nieuw Nederland

Toen Shouf Shouf Habibi in 2004 uitkwam, spraken we van een verademing – niet omdat de film zo onbetwist goed was, maar omdat we ineens allochtonen zagen die in staat waren tot grappigheid en zelfspot. Het drama dat Paul Scheffer vier jaar eerder had geschetst, was veranderd in een komedie. Marokkanen konden kennelijk heel goed lachen om zichzelf. Dat bleek uit de bezoekersaantallen. De film kostte rond de zeven ton en bracht in de eerste twee maanden al drie keer zo veel op. Een nieuw filmpubliek was ontstaan, van jonge mensen – Marokkanen en Nederlanders en Turken en Surinamers. Zelfs na de moord op Theo van Gogh en de daarop volgende grimmige stemming bleven ‘multicultikomedies’ het goed doen.

Komedies hebben alleen de neiging om hun karakters te veranderen in typetjes die na een tijdje niet leuk meer zijn. Na Shouf Shouf Habibi volgden Shouf Shouf! de tv-serie en Het Schnitzelparadijs en Alibi. De Marokkaanse karakters bleven praten met dat rare accent en door het leven gaan als moderne, grootstedelijke clowns.

Vandaag gaat een film over Marokkanen in première die geen komedie is – Rabat, gemaakt door Jim Taihuttu en Victor Ponten. Taihuttu en Ponten behoren tot een nieuwe generatie filmers. Ze zijn beiden geboren in 1981. Ze houden in interviews vol dat hun film niet gaat over de multiculturele samenleving. Rabat is een roadmovie over drie jongens die door Europa reizen. Goed, het zijn drie Marokkaanse jongens. Ze reizen dwars door Europa naar Marokko. Dat is allemaal toeval, bezweren de makers.

In zekere zin hebben ze gelijk. Het is toeval. De film gaat over drie vrienden die iets van een van hun vaders moeten afleveren in Rabat. Tijdens de reis praten ze over het leven, over hun ouders, over hun toekomst. Ze hebben toevallige ontmoetingen en gesprekken. Ze leren elkaar en zichzelf op een heel andere manier kennen. Het is, kortom, een coming of age-verhaal dat universeel aandoet.

De vraag is alleen waarom de makers de benaming ‘multicultifilm’ zo graag willen vermijden. Dat zegt veel over Nederland. In Duitsland en Frankrijk worden prachtige films gemaakt met etnische personages. In zo veel films spelen merkwaardige culturele achtergronden een rol. Waarvandaan komt dan de weerzin van deze jonge filmers om het multiculti-etiket te krijgen opgeplakt?

Veel drastischer dan in de rest van de wereld heeft Nederland de multiculturele samenleving als mislukt verklaard. Radicaler dan elders is etniciteit in het verdomhoekje gestopt van culturele achterlijkheid, van hoofddoekjes en djellaba’s en sandalen. Ik merk zelf ook dat ik steeds beschroomder de term ‘multiculturalisme’ gebruik. Ik kan aan de blikken van anderen zien dat ik mezelf buiten de orde plaats. Multiculti is niet hip, maar passé.

Het verboden verklaren van de term ‘multicultureel’ heeft het eigenaardige gevolg dat we in Nederland stilletjesaan een enorme groep stedelijke jongeren hebben met gedragingen, voorkeuren, aspiraties en inzichten waarvoor we geen aanduiding meer hebben. Taihuttu en Ponten zeggen in het persbericht van Rabat dat hun film zich afspeelt in „Het Nieuwe Nederland”. We moeten de drie Marokkaanse jongens in de film zien als „gewone jongens”. Ze doen en denken dingen die alle gewone jongens ook doen en denken. De filmmakers suggereren dat ‘Het Nieuwe Nederland’ een land is waar etniciteit geen rol meer speelt. Etniciteit speelt altijd, overal, bij iedereen wel een rol mee. In het Nieuwe Nederland is iedereen etnisch. Marokkaanse jongens zijn net zo etnisch als Hollandse jongens, zonder dat hun etniciteit hun identiteit volledig bepaalt. Dat is mooi gedacht. Dit was toch de juiste betekenis van de multiculturele samenleving?