Een mindfuck waaraan lastig te ontsnappen is

De hoofdpersoon Jake Gyllenhaal moet in Source Code een bomaanslag voorkomen.

Ondertussen vraagt hij zich af of hij wel in de echte wereld leeft.

Duncan Jones kent zijn klassiekers. Wat wil je ook als je eigenlijk Zowie heet en de zoon bent van David Bowie (die eigenlijk Jones heet) en die toen zijn zoon in 1971 geboren werd furore maakte als space age- rockster. Duncan Jones kent, om wat preciezer te zijn, dan ook vooral zijn sciencefictionklassiekers.

In 2009 debuteerde hij als filmmaker met de verrassende semi-lowbudget toekomstfantasie Moon. Nu mocht hij het in Hollywood voor wat meer geld proberen met Source Code, een kwantummechanische puzzelfilm voor mensen die Christopher Nolans droomfilm Inception vorig jaar zomer eigenlijk stiekem te simpel vonden.

Het beste is om maar niet te veel te verklappen van plot en verhaal. Jake Gyllenhaal speelt een militair met een missie: hij wordt telkens weer acht minuten in het lichaam van een passagier van een forensentrein naar Chicago geïnjecteerd om een bomaanslag te voorkomen. Maar wie is hij zelf? Helikopterpiloot Steven Coltert? Of een onderdeel van een computerprogramma dat ‘source code’ heet? En wat is dat dan voor programma? Is het simulatie of echt? En wat is eigenlijk echt?

Dat levert een actiefilm op die in wezen cirkelt rond existentiële vragen. Steeds keert de handeling terug naar de voortrazende trein, zijn passagiers, het tussenstation; elke keer komt de kijker op het verkeerde been te staan en wordt er weer een beetje meer informatie onthuld.

Dat spelletje is de grootste attractie van de film, die schatplichtig is aan uiteenlopende sciencefictionklassiekers over tijd, parallelle werelden en tijdreizen, zoals de anti-utopie La jetée (1962) van Chris Marker en het tragikomische Groundhog Day (1993) waarin acteur Bill Murray verstrikt raakt in een tijdlus en steeds dezelfde gebeurtenissen beleeft.

Ondanks deze en vele andere voorlopers (vergeet ook Avatar niet) is Source Code hoogst origineel. Dat komt niet alleen omdat de film je, zoals dat in goed Engels heet, een ouderwetse mindfuck geeft waar je niet aan kunt ontsnappen. Met de snelheid van een sneltrein die op zijn noodlot afraast presenteren Jones en scenarioschrijver Ben Ripley wetenschappelijke theorieën en filosofische vragen over de aard van de werkelijkheid.

Het gaat eigenlijk net als in de zogeheten ‘veel wereldentheorie’, waarin de wereld elke seconde in alternatieve geschiedenissen en toekomstscenario’s kan worden uitgesplitst, die allemaal echt zijn. Beng, beng, beng. Maar het is ook zoals een van de personages zegt: je kunt je maar beter niet te lang afvragen wat de ‘source code’ precies is.

Want Source Code is niet alleen een speeltje voor natuurkundenerds. In tegendeel. Al komt er als hommage aan een beroemd gedachtenexperiment van de Oostenrijkse natuurkundige Erwin Schrödinger natuurlijk nog wel even een kat door het beeld wandelen.

Maar Source Code nestelt zich niet alleen als een worm in je brein, maar kruipt ook onder je huid. Dat bij elke beslissing die je neemt verleden en toekomst zich aanpassen aan het heden is zowel beangstigend als romantisch.

Juist omdat Jake Gyllenhaals personage in die trein verliefd wordt op de vrouw die tegenover hem zit, in het volle besef dat het een liefde is die misschien maar een paar minuten bestaansrecht heeft, ga je je als toeschouwer enorm met hem identificeren. Uiteindelijk is de vraag wat je zou doen als je maar één kans had om iemand te kussen toch net iets prangender dan de vraag of je in staat zou zijn om de wereld te redden. Één kus, terwijl de wereld om je heen in kleine deeltjes uiteenspat? De liefde of de mensheid? Of allebei? Jake Gyllenhaal blijft natuurlijk wel een filmheld.

Source Code

Regie: Duncan Jones. Met: Jake Gyllenhaal, Michelle Monaghan, Vera Farmiga. In: 58 bioscopen. ****