Dorre staatswoestijn herbergt verrassende rijkdom

De nieuwe fabriek van Shell in de woestijn in Qatar kostte achttien miljard dollar. Drie keer zo duur dan aanvankelijk geraamd. Maar daar maalt niemand meer om, want ‘Pearl GTL’ gaat een veel- voud opleveren, verwacht Shell.

In de centrale controlekamer van het reusachtige Shell-complex in Ras Laffan, Qatar, geniet Joop van der Linden er nog van. Omringd door allemaal in rode overalls gehulde operators aan tientallen beeldschermen roept hij zondag 14 mei in herinnering, de dag waarop de nieuwe fabriek ‘Pearl GTL’ voor het eerst deed waarvoor zij is gebouwd: gas veredelen tot hoogwaardige smeermiddelen en synthetische brandstoffen voor auto’s en vliegtuigen. „Dat was een olympisch moment”, glundert Van der Linden nog na.

Zes jaar is er gebouwd aan Pearl GTL. De fabriek kan iets dat, althans op deze schaal, uniek is in de wereld. Shell stak er meer dan 18 miljard dollar in. Weliswaar drie keer zo veel dan aanvankelijk geraamd, maar daar maalt nu niemand meer om. Want hier staat een moneymaker waarmee het concern de komende decennia een veelvoud verwacht te verdienen.

„Als je Pearl GTL afzet tegen de totale oliemarkt gaat het om een druppel op een gloeiende plaat. Wat zijn nou 260.000 vaten per dag op een totale productie in de hele wereld van momenteel 87 miljoen vaten per dag? Maar zowel voor Shell als voor Qatar is het GTL-project van grote betekenis”, zegt Lucia van Geuns, energie-expert van Instituut Clingendael.

Voor Shell zijn vooral de technologie en de marges interessant, zegt Andy Brown, verantwoordelijk Shell-directeur in Qatar tijdens een excursie voor dertien journalisten uit Azië en Europa. Hij laat een sheet zien waaruit blijkt dat de nieuwe fabriek Shell jaarlijks 4 miljard dollar aan cash flow gaat opleveren, bij een olieprijs van 70 dollar per vat.

Een vat standaardolie doet op het ogenblik omstreeks 115 dollar. Dus de prognose op Browns sheet is op zijn zachtst gezegd aan de behoudende kant. Zonder aarzelen zegt hij dan ook: „Wij zijn zeer tevreden. Dankzij dit project wordt Qatar een heartland voor Shell.” In de loop van volgend jaar komt de fabriek op volle toeren en dan tekent Qatar voor 10 procent van de totale Shell-productie.

GTL staat voor gas-to-liquids. Het proces zit knap ingewikkeld in elkaar. Economisch kreeg het pas kans toen olie veel duurder werd dan gas. Analisten verwachten dat dat voorlopig wel zo zal blijven. Wie er dan in slaagt gas te ‘verbouwen’ tot producten die vallen in de categorie van de olieprijs, kan goede zaken doen. GTL biedt die optie.

Shell claimt de GTL-kunst als geen ander bedrijf te verstaan, dankzij de ervaring die al sinds 1973 is opgedaan in zijn GTL-laboratorium in Amsterdam en sinds 1993 met zijn GTL-proeffabriek in Bintulu, Maleisië (capaciteit 14.700 vaten p/d). Die expertise sloot naadloos aan bij de ambities van Qatar, dat naarstig op zoek was naar mogelijkheden méér inkomsten uit zijn olie- en gassector te halen: niet alleen maar oppompen en uitvoeren via pijpleidingen en tankers, maar zelf een petrochemische industrie opbouwen. Qatar, zo dicteerde de emir in 2004, moest de ‘GTL-hoofdstad van de wereld’ worden.

Waar concurrenten als Sasol uit Zuid-Afrika en ExxonMobil, Conoco Phillips en Marathon Oil uit Amerika moesten afhaken, sloten staatsbedrijf Qatar Petroleum en Royal Dutch Shell elkaar zes jaar geleden in de armen. Ze waagden de kritieke opschaling van ‘Bintulu’. „Onze technologie, onze expertise en onze wil om er een succes van te maken, gaven uiteindelijk de doorslag”, pocht Andy Brown.

Qatar is bloedheet, gortdroog en puissant rijk. Het kwik reikt ’s zomers gemakkelijk boven de 45° C en als er in een heel jaar meer dan 100 millimeter neerslag valt, dan is dat uitzonderlijk. Maar het kleine schiereiland in de Perzische Golf, beschikt over maar liefst 15 procent van alle conventionele gasreserves in de wereld. Tezamen met de eveneens aanzienlijke olievelden bezorgen ze het woestijnstaatje al jaren een ongekende groei.

Qatar boomt. Sinds het begin van deze eeuw is de bevolking meer dan verdubbeld (tot 1,5 miljoen), vooral door de komst van expats uit het Westen en gastarbeiders uit Zuid-Azië, en het bruto binnenlands product meer dan vervijfvoudigd, tot ruim boven 100 miljard dollar.

De aspiraties in de olie- en gassector laten zich in twee woorden samenvatten: temporiseren en diversifiëren. In 2005 kondigde emir Hamid bin Khalifa al-Thani een moratorium af op nieuwe gasprojecten. Het moest (verdere) oververhitting van de economie voorkomen en gelegenheid bieden de onderbouw – infrastructuur, huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, midden- en kleinbedrijf – te versterken. Het moratorium zal zeker tot 2013 van kracht blijven.

Voor de diversificatie richt Qatar zich met name op zakelijke dienstverlening, (water-)toerisme en natuurlijk de petrochemische industrie. ‘Welkom in Ras Laffan’, staat op de toegangspoort naar het streng beveiligde industriegebied (ter grootte van Amsterdam), waarop de afgelopen jaren talloze chemiebedrijven zijn neergestreken. Hier, zeventig kilometer ten noorden van Doha, heeft Shell de beschikking over giga-industrieterrein.

Het bestaat uit schier eindeloze ‘straten’ met aan weerszijden betonnen en stalen geraamtes vol pijpen, buizen, cilinders, compressoren, ketels en kranen. Her en der duiken groepjes gehelmde gastarbeiders in blauwe of gele overalls op die de laatste hand leggen aan de installaties en onderhoudswerk verrichten.

Op het Shell-complex zijn 86 installaties verrezen. „Voor leken vergelijk ik het wel eens met 86 jumbojets die je tegelijkertijd en in georganiseerd verband in de lucht moet houden”, zegt onderdirecteur Roel Cornelisse. Straks, als het allemaal klaar is, blijft hij over met 1.200 tot 1.500 operators, voornamelijk afkomstig uit India, Engeland en Nederland.

Op het hoogtepunt van de bouw, twee jaar geleden, werkten er in Ras Laffan via aannemers en onderaannemers 52.000 mensen voor Shell, voornamelijk arbeidsmigranten uit Bangladesh, India, Nepal, Pakistan en Sri Lanka. Nu zijn het er nog zo’n 25.000. Ze verdienen veel meer dan in hun thuislanden, maar toch zijn ze in Qatar nog onvoorstelbaar goedkoop. Maximaal mogen ze zestig uur in de week werken. Omgerekend verdienen ze vaak nog geen twee euro per uur.

Rode vlaggen geven aan dat de buitenwerkers, los van schafttijden, elk uur tien minuten moeten pauzeren en minstens een halve liter water moeten drinken. Zwarte vlaggen betekenen: inpakken en wegwezen. De combinatie van temperatuur en luchtvochtigheid maakt doorwerken dan onverantwoord. Vorig jaar zomer ging op twintig dagen de zwarte vlag uit.

De Internationale arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties (ILO) en de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch (HRW) hebben herhaaldelijk scherpe kritiek geuit op het werken in de snelgroeiende Golfstaten. Ze tekenden getuigenissen op van gastarbeiders die als slaven werden behandeld, buitensporig lang moesten werken, levensgevaarlijk werk moesten doen en elementaire rechten werden ontzegd.

Shell-directeur Brown zegt de verhalen te kennen, maar zelf nooit dat soort klachten te hebben gekregen. Hij schrijft dat op het conto van de goede relaties met de aannemers. Hij stelt dat Shell met 77 miljoen ‘arbeidsuren zonder ongeluk’ in Ras Laffan een wereldrecord in veilig werken heeft gevestigd. „Wij hebben een nieuwe norm in het Midden-Oosten gesteld.”

Details over de overeenkomst die Shell en Qatar Petroleum sloten over de ontwikkeling en productieverdeling van het zogenoemde North Field, waaruit het gas voor Pearl GTL wordt gehaald, mag Brown niet geven. Geheim – net als in andere wingebieden.

En Iran, dat aan de overzijde aan hetzelfde gasveld grenst, kan dat met eventuele claims de toekomst van Pearl GTL nog bederven? Brown: „Daar kan ik niet op ingaan, maar Shell heeft er het volste vertrouwen in dat Qatar en Iran daar uit zullen komen. Hun relaties zijn goed.”