De paarden stonden in een dikke natte laag van mest, urine en stro

Wie: Johan de H., paardenfokker

Staat terecht voor: veroorzaken pijn en letsel bij vijftig paarden

Waar: economische politierechter in Utrecht

De rechter heeft geen verstand van paarden, zegt ze zelf. Maar als ze naar de foto’s in het strafdossier kijkt ziet ze dingen die er „toch wel verschrikkelijk” uitzien. En de conclusies van een dierenarts die de ongeveer honderd paarden van Johan de H. heeft onderzocht, „liegen er ook niet om”. Ruim de helft van de paarden in zijn stal had gebreken aan hoeven of gewrichten, bleek bij twee controles door de Algemene Inspectiedienst (AID) in maart en april vorig jaar.

De paarden stonden in een dikke natte laag van mest, urine en stro. Droog stro om op te liggen was er onvoldoende. Hoeven waren te lang of slecht verzorgd. De paarden aten stro uit een opening in nog verpakte balen hooi. Het plastic was aangevreten.

Johan de H. combineert een manege en een paardenfokbedrijf in de omgeving van Utrecht. Hij fokt paarden voor de verkoop aan particulieren, andere maneges en handelaren die ze weer doorverkopen. Hij heeft rossig haar, een snor en draagt een houthakkersblouse.

Als de officier van justitie de tenlastelegging voorleest schudt hij zachtjes zijn hoofd en mompelt: „Onjuist, onjuist, onjuist.” De rechter: „Dus u zegt: wat hier staat is onzin?

„ ‘t Is overdreven”, zegt De H.

De rechter vraagt hem om even bij haar naar de foto’s van vergroeide hoeven te komen kijken.

„Dat is steeds hetzelfde oude beessie” zegt De H. Dat paard heeft hij inmiddels onderbracht in een verzorgingstehuis voor oude paarden in Amsterdam, vertelt hij de rechter.

Nu grijpt de officier van justitie in. „Dat is niet waar, meneer De H. Het gaat in dit dossier om heel veel dieren.”

De rechter vraagt: hoe vaak bekapte u de paarden?

„Dat verschilt per paard”, zegt De H. „De één een keer per half jaar, de ander eens in de drie maanden. Maar ik pakte er elke week wel twee, drie.” De rechter vraagt of hij ook een hoefsmid heeft. „Ja, die roep ik af en toe in als ik het zelf niet af kan.”

De dierenarts had geconcludeerd dat sommige dieren wel een jaar niet bekapt waren, zegt de rechter.

„Onjuist”, zegt De H.

De AID kon bij een aantal paarden de ribben zien. De dierenarts had opgeschreven: „Je moet ribben bij paarden net kunnen voelen, ze moeten niet te zien zijn.” Johan de H. zegt: „Bij zoveel paarden heb je er altijd wel wat magere bij.”

De H. heeft geen advocaat meegenomen naar de rechtbank, maar zijn agrarisch adviseur. Die heeft samen met hem een pleidooi opgesteld, vol juridische termen. De H. leest het monotoom voor. Hij vraagt eerst om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te laten verklaren. Hij vindt dat informatie uit verschillende controles niet klopt. Dat paarden te mager waren kwam omdat ze vorig jaar getroffen waren door een worminfectie. Maar uit het feit dat er in de onderzochte periode zeven gezonde veulens zijn geboren, blijkt volgens hem dat hij goed voor zijn dieren zorgt. Het pleidooi eindigt ferm: „Ik verzoek u om vrijspraak en vergoeding van de gemaakte kosten.”

De officier reageert: „We zeggen niet dat u uw dieren mishandeld heeft, maar ik acht wel bewezen dat u ze niet goed heeft verzorgd.” Daarmee heeft De H. de paarden „pijn en letsel bezorgd en hun welzijn beschadigd”. En dat vindt de officier extra erg omdat De H. „geen hobbyboer is” die uit onwetendheid fouten maakt, maar een professional.

Ze eist duizend euro boete, waarvan vijfhonderd voorwaardelijk. De politierechter zegt daarna op vertrouwelijke toon tegen De H. dat zij die eis „eerlijk gezegd niet zo hoog” vindt. Ze neemt hem over in het vonnis.