De geschiedenis kan beter worden getoond zonder dat NHM-gedoe

Gelukkig is de subsidie voor het Nationaal Historisch Museum ingetrokken. Zo ontstaat weer ruimte voor een echte geschiedenisexpositie, aldus P. Scholten.

Na drie jaar politiek gedoe, zwalken, veel geld en mooie praatjes van directeur Erik Schilp wordt de Nationaal Historisch Museum-organisatie gelukkig opgedoekt. De kans opent zich om voor heel weinig geld toch nog een zo gewenste museale expositie te realiseren. Een korte analyse van de oorzaak leidt tot de juiste weg daarheen. Overigens is openheid over de achterliggende oorzaken van het debacle geboden. Inzicht in het beleid van de directie en de gemaakte kosten – onder meer twintig à dertig mensen in vaste dienst – hoort daar zeker bij. De niet geheel onschuldige vorige Tweede Kamer heeft een dure plicht. Vanwege haar directe betrokkenheid is inzicht verschaffen echt iets voor de Algemene Rekenkamer.

De eerste misslag moet worden gezocht in het gevecht om de vestigingsplaats. Daaraan was de noodzaak verbonden van een eigen, prestigieus gebouw. Den Haag (eerste voorkeur CDA, later Arnhem) en Amsterdam (eerste voorkeur PvdA) streden erom. Toenmalig minister Plasterk (Cultuur, PvdA) kon binnen de toenmalige coalitie, van CDA en PvdA, niet zonder problemen openlijk kiezen tussen Den Haag of Amsterdam.

Intussen hadden de ambtenaren van Plasterk al een zelfstandige organisatie bedacht. Het gerucht gaat dat ook zij het museum in Den Haag wilden zien verrijzen. Plasterk, verblind door de vestigingsdiscussie en gecharmeerd van het aanverwante Nederlands Openluchtmuseum (NOM), koos voor een al ambtelijk op papier uitgewerkte, zelfstandige organisatie in een nieuw te bouwen complex naast – in plaats van op – het terrein van het NOM.

Dit was een fatale vergissing. Plasterk maakte geen gebruik van bestaande musea, met hun expertise, bezit en organisatorische capaciteit. In plaats daarvan stelde hij een eigengereide en brutale directeur – Schilp – aan, met een budget van maar liefst 50 miljoen euro. Schilp wilde helemaal niet samenwerken met het NOM. Hij wilde weg uit Arnhem.

Intussen palmde Plasterk de VVD in. Die partij kreeg het voorzitterschap van de raad van toezicht toegeschoven. Ook de rol die deze raad – als belangrijke bestuursorgaan – in het hele proces heeft gespeeld, verdient overigens de aandacht van de Algemene Rekenkamer.

Het was, kortom, een politiek spel. Daarvan mag het op zichzelf uitstekende, breed gedragen idee van Jan Marijnissen (SP) en Maxime Verhagen (CDA) niet de dupe worden. Het zeker bij de jeugd geringe besef van onze vaderlandse geschiedenis verdient nog steeds een stevige impuls.

De Kamer zou zich volstrekt ongeloofwaardig maken met het intrekken van haar uitnodiging aan de regering om met een voorstel te komen. Een beroep op noodzakelijke bezuinigingen gaat alleen op als een alternatief de overheid veel geld zou kosten. Het alternatief van gebruikmaking van bestaande – verzelfstandigde – musea kost eenmalig een zeer beperkt bedrag. Dit is in lijn met de private of verzelfstandigde aanpak waarvoor de staatssecretaris de mogelijkheid biedt en die de Kamer niet blokkeert. De te verwachten extra bezoekersstroom zal de exploitatiekosten zeker kunnen dekken. Het Rijksmuseum heeft de meeste expertise in huis over onze vaderlandse historie. Het kan bovendien, als ‘moedermuseum’, uit haar kelders expositiemateriaal beschikbaar stellen. Het aanverwante NOM kent voldoende flexibiliteit. Het beschikt, met haar expositie van het dagelijks leven van de Nederlander, over een ervaren organisatie. Samen zullen zij een aansprekende weergave van onze vaderlandse geschiedenis kunnen tonen.

Zeg dus niet dat „dat verhaal godzijdank van tafel” is. Voor de regering en de Kamer bestaat een goedkoop, zeer verantwoord en beter alternatief.

P. Scholten is oud-burgemeester.