De deurbel ging, even later klonk een schot

In 1946 werd ir. Felix Guljé vermoord. Door wie is nooit duidelijk geworden. Tot gisteren. Guljé is gedood door het verzet, zo heeft Atie Visser, nu 96, opgebiecht.

Het is guur weer op vrijdag 1 maart 1946. Er valt natte sneeuw als ’s avonds rond tien uur de deurbel gaat van de woning aan de Van Slingelandtlaan 8 in Leiden. Voor de deur staat een jonge vrouw die vraagt of ze kan spreken met de heer des huizes, ir. Felix Guljé. Zijn echtgenote Victoire, die de deur heeft geopend, roept haar man uit de woonkamer en gaat zelf weer naar binnen. Even later klinkt een schot. Mevrouw Guljé haast zich naar de voordeur en treft haar man zwaargewond aan in de vestibule. Kort na aankomst in het nabijgelegen Academisch Ziekenhuis overlijdt hij, op 52-jarige leeftijd.

De mysterieuze moord op Felix Guljé deed indertijd veel stof opwaaien, en niet alleen in Leiden. Hij was een succesvol ondernemer en voorman van de Algemene Katholieke Werkgevers Vereeniging. Zijn naam werd genoemd voor de post van minister van Handel en Nijverheid. Minister-president Schermerhorn en minister van Justitie Kolfschoten kwamen de weduwe Guljé thuis condoleren. Ondanks deze belangstelling van hogerhand en een groot onderzoek, is de politie er nooit in geslaagd de dader te vinden.

Gisteren, ruim 65 jaar na dato, is eindelijk duidelijk geworden waarom Felix Guljé is neergeschoten. De 96-jarige Rotterdamse Atie Ridder-Visser heeft de moord opgebiecht aan de Leidse burgemeester Henri Lenferink. De voormalige verzetsvrouw vertelde hem dat ze Guljé had neergeschoten omdat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog gecollaboreerd zou hebben met de Duitsers. Althans, daar ging ze toen van uit. Maar Guljé was geen verrader, integendeel. Hij was actief geweest in het verzet, onder meer bij de hulp aan Joden.

Lenferink vertelde gisteren op een persconferentie dat Atie Visser naar hem was toegekomen, omdat ze de kinderen en kleinkinderen van Guljé niet langer in onzekerheid wilde laten over de toedracht van de moord. Lenferink heeft Visser gevraagd hoe zij nu aankeek tegen haar daad. „Daarop antwoordde ze dat ze met de kennis van nu natuurlijk niet tot liquidatie was overgegaan. Maar indertijd had haar verzetsgroep het idee dat dit per se moest gebeuren.” De burgemeester verzocht de pers geen contact op te nemen met Visser, omdat ze ziek is.

Hein Schrandt, een kleinzoon van Guljé, was niet onder de indruk van Vissers verklaring. Hij sprak over de emoties binnen zijn familie, die zich vooral manifesteerden in „onbegrip en verontwaardiging dat mensen tot een dergelijke daad konden overgaan zonder zich vooraf te verdiepen in de persoon ir. Felix Guljé. Hadden ze dat maar gedaan: dan was deze moord niet gepleegd en was heel veel leed voorkomen.”

Het verzet in Leiden was niet zo gewelddadig als in steden als Rotterdam en Amsterdam, zegt Alphons Siebelt, auteur van de onlangs verschenen Gids voor Leiden in de Tweede Wereldoorlog. „De Leidse illegaliteit hield zich voornamelijk bezig met administratief verzet en onderduikhulp. Er heeft maar één echt geruchtmakende liquidatiepoging plaatsgevonden, op 3 januari 1944. Toen werd de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau neergeschoten. Hij overleefde de aanslag en de bezetter nam zeer harde represailles: de Sicherheitsdienst liquideerde drie vooraanstaande Leidenaren. Verder werden tientallen mensen afgevoerd naar concentratiekampen.”

Atie Visser hoorde niet bij de Leidse verzetsgroep die voor deze aanslag verantwoordelijk was, zegt Siebelt. „Zij maakte deel uit van de knokploeg van Marinus Post, die vooral in Brabant actief was, maar wel regelmatig bijeenkwam in Leiden.”

Post werd tijdens de oorlog gearresteerd en gefusilleerd. Atie Visser, die onder de schuilnaam Karin opereerde, bleef na de bevrijding in Leiden en kreeg een aanstelling bij de Politieke Opsporingsdienst, de organisatie die zich bezighield met het opsporen van foute Nederlanders.

Onder leden van het voormalig verzet bestond grote onvrede over de wijze waarop de vervolging van vermeende collaborateurs verliep. Tijdens een bijeenkomst van de groep-Post stelde Visser daarom voor het recht in eigen hand te nemen. Zij had een pistool en kon ermee omgaan; ze had deelgenomen aan liquidaties. De groep besloot Felix Guljé terecht te stellen omdat ze dachten dat hij zich schuldig had gemaakt aan economische collaboratie.

„Dit is een typisch voorbeeld van een verwilderde verzetsgroep, die er na de bevrijding niet in slaagde afscheid te nemen van het geweld”, zegt historicus Albert Oosthoek. Hij publiceerde in 2009 samen met Jack Kooistra Recht op wraak. Liquidaties in Nederland 1940-1945. „Tijdens de oorlog werd het gewapend verzet geleidelijk gewelddadiger. Nadat het morele taboe op het doden van een ander mens eenmaal was overwonnen, was het makkelijker om nog iemand te liquideren, en nog iemand. Het werd voor sommige verzetsmensen normaal om te doden.”

Na de oorlog lieten niet alle leden van knokploegen het geweld los, weet Oosthoek. „Die gewelddadige mentaliteit is langzaam gegroeid en was op 6 mei niet zomaar af te leggen omdat de capitulatie was ondertekend.”

Bij het voormalig verzet hadden sommigen weinig vertrouwen in de naoorlogse rechtsgang. Dit leidde ertoe dat de liquidaties in de eerste maanden na de bevrijding gewoon doorgingen, zegt Oosthoek. „Ik denk dat het gaat om tientallen gevallen. En daar zaten onschuldige mensen bij, zoals Guljé. Die zaak is overigens wel bijzonder, omdat de moord zo lang na de oorlog plaatsvond.”

In de decennia die volgden, zijn deze liquidaties verzwegen door het verzet, zegt Oosthoek. „Ze zijn verdwenen uit de geschiedschrijving, omdat ze niet pasten bij het beeld dat het verzet van zichzelf wilde neerzetten.”

Bert Buddingh’, tijdens de bezetting spion en werkzaam voor verzetskrant Trouw – en na de oorlog eindredacteur van het tijdschrift van het voormalig verzet – zegt dat het tijdens bijeenkomsten van oud-verzetslieden sowieso „niet vaak over de oorlog ging”. Atie Visser is hij regelmatig tegengekomen. „Ze is een fanatiek Feyenoordfan, ze heeft zelfs een eigen plek in het stadion.”

Buddingh’ vertelt dat Visser binnen het voormalig verzet bekendstaat als „een taaie”. „Ze had een pistool en heeft het gebruikt. Dan stelde je wat voor.” Wat denkt hij van haar actie, tien maanden na het eind van de oorlog? „Ze had informatie op basis waarvan ze vond dat ze moest handelen. Helaas klopte die informatie niet.” Maar had ze die informatie niet beter aan politie en justitie kunnen voorleggen? „Dat deden we niet”, zegt Buddingh’. „Wij losten dingen zelf op.”

Burgemeester Lenferink van Leiden heeft Vissers bekentenis gemeld bij het Openbaar Ministerie, maar dat zal niet tot vervolging overgaan. De moord op ir. Felix Guljé is al decennialang verjaard.