China's geheimzi nnige lach

Gesprek met twee van China’s bekendste kunstenaars Yue Minjun en Sui Jianguo, die nu in Nederland exposeren. Over hun kunst en hun vrijheid. En over hoe China moderne kunst gebruikt, zoals Amerika film en pop, als culturele ambassadeur. Oscar Garschagen

Met Range Rovers en Mercedessen-Benz 500 op de stoep voor hun nieuwe studio’s en villa’s is het niet verwonderlijk dat Sui Jianguo en Yue Minjun de meest geplagieerde en gekopieerde moderne kunstenaars van China zijn. En dat geldt eigenlijk ook voor de andere Chinese schilders en beeldhouwers die in Den Haag (Den Haag onder de Hemel) en Laren (Facing China) te zien zijn.

Zijn overdreven breed, hysterisch lachende mannen hebben Yue Minjun (1962) tot de best betaalde Chinese contemporaine schilder van dit moment gemaakt, en het militaire Sun Yat-sen-jasje van staal of pvc stelt Sui Jianguo (1956) in staat zijn leven precies in te richten zoals hij zelf dat wil.

De successen van de dromerige Sui en en de extroverte Yue spreken tot de verbeelding van „duizenden en misschien wel tienduizenden” (Yue) jonge kunstenaars, die onafhankelijk of gesteund door de steeds actievere overheid de komende jaren proberen door te breken.

In Peking en Shanghai groepen zij samen in kunstenaarsdorpen en kunstenaarskolonies om los van elkaar of onder de hoede van mensen als Sui (Yue doet daar niet aan) hun stijl en toon te vinden. Enkelen van hen is dat al gelukt en zijn ook aanwezig op de twee exposities in Nederland die afgelopen week zijn geopend.

„Het is overweldigend wat er gebeurt: stromingen, substromingen, westers, oosters, een mengsel daarvan. Standaarden en normen voor goed en slecht ontbreken. Iedereen zoekt en probeert. Het is verwarrend, fascinerend en chaotisch tegelijkertijd, net als China zelf”, zegt Sui Jianguo (1956), ooit begonnen als lasser in een staatsfabriek en nu professor aan de Pekingse Kunstuniversiteit.

Zijn rode, kolossale Tyrannosaurus Rex domineert het Lange Voorhout in Den Haag, geen slechte locatie onder de hemel (‘Xia Tian’), het keizerlijke begrip waaraan de tentoonstellingen in Den Haag en Scheveningen (Beelden aan zee) hun naam ontlenen. Sui, een confuciaan, maakte zich zorgen of met het beeld de harmonie van het plein niet verstoord zou worden, maar na het zien van foto’s is hij gerustgesteld. „Er is al zoveel chaos in de wereld”, lacht hij vriendelijk.

De dinosaurus van Sui symboliseert het hedendaagse China, groot en overweldigend. Een beetje verwonderlijke keuze in het land van de Draak is de dinosaurus wel en dat heeft niets te maken met de vijfduizendjarige geschiedenis van het Land van het Midden, erkent hij. Sui loopt naar zijn studio, die meer weg heeft van een fabriekshal, en laat daar een verzameling kinderspeelgoed zien, waaronder vijf miniatuurdinosaurussen van plastic.

„Dit soort kleine producten heeft China opnieuw groot gemaakt”, zegt Sui. Grijnzend: „Door te versimpelen en te vergroten kom ik bij de essentie van deze tijd en dat is de groei van China tot een wereldmacht. Een wereldmacht dankzij goedkoop kinderspeelgoed, groot dankzij goedkope arbeid.”

Zijn verbazing is niet geveinsd. Van arbeiderszoon naar kunstenaarmiljonair en professor aan de Pekingse Kunstacademie. Dat was eens een Only in America-verhaal, maar komt ook steeds vaker voor in China. Het is een verhaal dat – in variaties - van toepassing is op alle in Den Haag en Laren aanwezige kunstenaars. Met elkaar hebben zij gemeen dat zij in de jaren negentig van de vorige eeuw hun stijl hebben ontdekt en vervolgens de internationale hype rond de Chinese moderne kunst met een mengeling van verbazing, verwarring en tevredenheid ondergingen.

„China, versie 2.0, dat ben ik ook”, zegt hij ironisch als hij praat over de gekte op de kunstmarkt, het magnetische van het grote geld en de vrijheid of onvrijheid van Chinese kunstenaars. De eerste Chinezen die honderd jaar geleden naar Nederland kwamen – de aanleiding voor Den Haag onder de Hemel - waren straatarm, de kunstenaars uit Peking, Shanghai en Guangzhou die nu de Nederland aandoen, zijn gefortuneerde heren en dames.

Dat is het logische gevolg van dertig jaar economische groei, die gepaard is gegaan met een ongekende toename van persoonlijke en de laatste vijftien jaar ook artistieke vrijheden. Zowel in Den Haag als in Laren is te zien wat die nieuwe creatieve ruimte heeft opgeleverd.

Of zij zich daar bewust van zijn of niet, moderne kunstenaars spelen een grote rol in het creëren van een nieuw imago van China. „Amerika gebruikt film en muziek om een ideologie te verspreiden, zij gebruiken cultuur als wapen”, schreef een hoge partijfunctionaris, Li Shulei, vorig jaar in Het Volksdagblad. Wij moeten meer inspanningen plegen om met behulp van onze culturele sector daartegen een dam op te werpen, we moeten meer doen aan het projecteren van onze soft power.”

In feite had hij het over de internationale publiciteitscampagne met als doel de wereld ervan te overtuigen dat van het nieuwe China niets te vrezen valt. De steekwoorden zijn vreedzaam, harmonieus, open en tolerant. Die boodschap wordt verspreid via mondiale tv-stations, kranten in alle hoofdtalen van de wereld, Confuciusinstituten, 1500 nieuwe musea in China zelf, de bouw van 300 kunstenaarsdorpen en door het steunen van exposities als die in Den Haag.

„Dit heeft niets te maken met de ontwikkeling van een vrije pers in China of een levendige culturele sector, maar alles met de projectie van soft power”, constateerde eerder dit jaar David Bandurski die op de Universiteit van Hongkong de leiding heeft van het Chinese Mediaproject.

In dat kader wordt getolereerd, zegt Bandurski, dat kunstenaars als Sui Jianguo, Yue Minjun zich opstellen als stille dissidenten. Sui en Yue zullen niet zoals Ai Weiwei een grote bek opzetten tegen de autoriteiten. Zij zijn allebei bevriend met de gearresteerde kunstenaar die wordt verdacht van belastingontduiking, maar hoeden zich voor stellige uitspraken over zijn lot. Maar dat betekent niet dat zij aan zelfcensuur doen of hun gevoelens onderdrukken.

„Er zijn grenzen die je niet moet overschrijden, maar er is veel ruimte gekomen om je uit te drukken”, zegt Yue Minjun die in nationale en internationale bekendheid Ai Weiwei makkelijk overklast. Yue heeft rocksterstatus in China, figureert in de roddelrubrieken in bladen en op televisie en wordt gevolgd door groupies.

Kunstexperts hebben het werk van Yue ‘Cynisch realisme’ gedoopt. De lach zou het verdriet over de Culturele Revolutie, de onderdrukking van de Tiananmendemonstraties in 1989 en ander historisch leed maskeren. Yue die iedere keer als hij zijn bankrekening bekijkt nog breder lacht dan zijn geschilderde man laat zich dat aanleunen.

De lach zou ook slaan op de absurditeit van het moderne leven in China, op de illusie van geluk. Dat etiket maakt Yue aan het lachen. En als hij dat eindelijk doet na vier espresso’s die de kater verdringen, is de gelijkenis met zijn geschilderde lachende man frappant. „Er is helemaal niets cynisch of absurds in wat ik doe. Het enige wat ik heb gedaan is een stijl ontdekken en ontwikkelen waarmee ik mijn gevoelens kan uitdrukken.” Met andere woorden: die lach kan veel ladingen dekken.

„Inderdaad, een lach kan van alles betekenen, geluk, verdriet, hopeloosheid. Maar ik lach nooit iemand uit.” Yue laat zich niet verleiden tot een scherpe politieke uitspraak of het moet zijn dat China in de ban is van „geld, geld, consumeren, consumeren’” en dat zijn land grote hervormingen doormaakt. „Ik begrijp steeds minder van de wereld en van mijn land. Waar gaan we naar toe? Waar willen we naar toe? We bevinden ons in een overgangsfase en dat is in de kunstwereld met absurde prijzen en al die zoekende kunstenaars ook goed te merken.”

Ook de bedachtzame, introverte Sui is zich scherp bewust van de grenzen, maar anders dan de commercieel denkende en met stereotypen werkende Yue, zoekt hij die wel op. Zolang hij on the record geen rechtstreekse en scherpe uitspraken doet, heeft hij in strikt kunstzinnige zin alle ruimte, zegt hij.

De typisch Chinese vogelkooi met een stuk rotssteen en de dicht gelaste kast, die Sui Blocked memory heeft genoemd, staat voor het onverwerkte, onderdrukte verleden, met name de periodes van de Grote Sprong Voorwaarts en de Grote Culturele Revolutie. De betekenis van de kooi en de kast is impliciet, versluierd om voor de hand liggende redenen. „In ieder land wordt de geschiedenis gemanipuleerd en soms gecamoufleerd, wij hebben heel veel geschiedenis die tot op de dag van vandaag afgedekt wordt. We moeten voorzichtig zijn. Maar tegelijkertijd is het ook zo dat de vrijheden steeds groter worden. Je moet alleen weten waar de gevoeligheden liggen en hoe je daar mee om kan gaan.”

Yue Minjun beaamt dat. De manier waarop hun collega Ai Weiwei is aangepakt door de autoriteiten vinden zij allebei verwerpelijk, maar stellen ook vast dat Weiwei’s kunstwerken niet omstreden zijn. Yue: „Hij is door zijn internetwerk in moeilijkheden geraakt, niet door zijn beelden en ontwerpen.”

Sui en Yue verwerpen los van elkaar de gedachte dat zij door hun werk een vage, niet erg expliciete politieke betekenis te geven zij voor de internationale kunstverzamelaars interessant zijn geworden. Iedere serieuze verzamelaar van Chinese moderne kunst, iedere expositie moet een of meerdere Yue’s hebben. En dat geldt ook voor de Legacy Mantle van Sui. Het uniform wordt vaak een Mao-pak genoemd, maar werd honderd jaar geleden, kort na de revolutie van 1911, geïntroduceerd door de sociaal-democraat Sun Yat-sen. „Je vraagt mij de gekte op de markt te verklaren en dat kan ik niet”, zegt Yue. „In 1994 verdiende ik met een schilderij net genoeg om van te leven, tien jaar later leverde datzelfde schilderij 6 miljoen dollar op. Is dat nou kapitalisme? Is dat de vrije markt? Ik zou het graag willen weten. Het zegt veel over de rol van geld in China.”

Hij legt uit dat politiek bij hem nauwelijks een rol speelt, hoewel anderen dat wel in zijn werk zien. „Ik verborg toen ik jong was mijn onzekerheid, twijfels en wanhoop achter een brede lach. In Chinese kunst werd het lachende gezicht al eeuwen lang gebruikt, ik heb daar enkel een eigen draai aan gegeven, omdat ik bij het zoeken naar een eigen stijl bij mijzelf begon.”

Yue laat zijn nieuwe werk zien. Reusachtige schilderijen van lachende mannen met blauwe lijven en witte lendedoeken. Het zijn bijbelse taferelen met Jezus als middelpunt. „Ik ben geïnteresseerd geraakt in het christendom zonder zelf christen te willen zijn of worden. De moraal van het christendom en vooral de werkethiek fascineert mij.”

In de studio poseert hij bij nieuw werk-in-uitvoering. „Chinezen werken om veel geld te verdienen zodat zij kunnen stoppen met werken, want, en dat moet de wereld nog ontdekken, wij haten werken. Christenen, en dan vooral westerlingen, zien werken als een plicht, als een levenslange opdracht. Fascinerend is dat, en ook een beetje absurd.”

Terwijl Sui doorgaat met hetzelfde kunstje dat hem steenrijk heeft gemaakt, zoekt Sui Jianguo naar nieuwe vormen en experimenteert met beelden, met hout, staal en de computer. „Yue Minjun maakt zolangzamerhand stereotypisch kunst, maak ik wil mijn vrijheid gebruiken voor nieuwe dingen”, legt hij uit zonder zijn vriend te willen bekritiseren. „Ik hoop dat al die jonge kunstenaars proberen hun eigen weg te zoeken en zich niet laten verleiden door de begrijpelijke verlokkingen van de internationale markt die zonder precedent is”, zegt hij op zijn professorentoon.

De experimenten met de computer hebben onder andere het nieuwe en fascinerende Hellend Paradijs (Museum Beelden aan Zee) opgeleverd. Dat blauwe paradijs is Nederland maar dan bekeken vanuit een denkbeeldige schuine hoek in Peking.

Sui hoorde voor het eerst over ‘Holland’ toen hij een paar jaar geleden een aflevering bekeek van de Amerikaanse tv-serie Prison Break, waarin een ontsnapte gevangene een schilderij met een Hollands landschap steelt. Later kreeg hij van Cees Hendrikse, een expert in Chinese moderne kunst een Delfts Blauw-bord uit de Van Hunnik-serie. De molens, het melkmeisje, de boerenjongen, en de koeien in het groene gras ontroerden hem. In zijn versie laat hij hen in de blauwe lucht zweven als hemellichamen. „Als ik droom over een idealistische wereld ziet ik dit soort Hollandse beelden. Nederland is voor mij een rustpunt in een verder totaal gekke wereld”, zegt Sui die erg benieuwd is of de kloof tussen zijn ideaalbeeld en de realiteit niet al te groot is: „Ik hoop van niet.”

‘Den Haag onder de Hemel’, Hedendaagse beeldhouwkunst in China samengesteld door curator Cees Hendrikse. Met werk van Sui Jianguo, Yue Minjun, Zhang Huan, Liu Jianhua, Wang Jin, Cang Xin, Liu Wei, Yin Xiuzhen, Jiao Xingtao, Qiu Anxiong. T/m 11/9 op zes locaties in Den Haag. Inl: denhaagsculptuur.nl