Zombies doen niet moeilijk. Ze zeuren niet

Het gebeurt niet vaak dat diepgekoesterde wensen uitkomen, maar vandaag ging de mijne in vervulling: ik mocht een hersenminnende, aortaslurpende, levensuitgedaagde zombie spelen. Eindelijk kon ik met gerust hart sterven. En daarna weer herrijzen. De bedoeling was dat er een trailer opgenomen zou worden voor een Parade-voorstelling van The Sadists en Orkater – een voorstelling

Het gebeurt niet vaak dat diepgekoesterde wensen uitkomen, maar vandaag ging de mijne in vervulling: ik mocht een hersenminnende, aortaslurpende, levensuitgedaagde zombie spelen. Eindelijk kon ik met gerust hart sterven. En daarna weer herrijzen.

De bedoeling was dat er een trailer opgenomen zou worden voor een Parade-voorstelling van The Sadists en Orkater – een voorstelling over zombies.

Nu ben ik als zombiefan enigszins bevooroordeeld als het gaat om de ondoden. Desalniettemin heb ik sterk het gevoel dat de zombie aan een stormachtige comeback bezig is. Na al die tienersoftpornofilms over broeierig naar elkaar starende twijfelvampiers, heeft de mensheid weer behoefte aan een meute ongecompliceerde wandelende lijken. Zombies doen niet moeilijk. Ze zeuren niet, zijn niet geïnteresseerd in een gesprek, ze doen niet aan quarterlife crises, vakantieplanning of ademhaling, ze willen gewoon rondstrompelen en aan je ruggengraat knagen. In de VS is de populaire zombieserie The Walking Dead bezig, aankomende zondag zendt National Geographic de zombiedocumentaire The Truth About Zombies uit en in Nederland is de zombiefilm Shouf Shouf Zombibi in de maak. Het moge duidelijk zijn: de zombie is dead and kicking.

Op de set word ik gegrimeerd door Suzi Terror, een naam die veel goeds voorspelt. Voorzichtig plakt ze siliconenhuid op mijn voorhoofd en wang, schminkt donkere aderen en dept rode gel als bloederig weefsel over mijn gezicht. Uiteindelijk lijk ik op iemand die een kwartier geleden is opgegraven. En weet ik het zeker: eigenlijk ben ik een zombie, gevangen in een warmbloedig mensenlijf.

Voordat de opnames beginnen, besluit ik met twee collega-zombies een klein rondje langs het Leidseplein te wandelen. Hier gebeurt er iets opmerkelijks: terwijl wij er uitzien alsof er elk moment een worm uit ons haar kan kruipen, reageert winkelend Amsterdam op ons alsof we gewoon even voorbij wandelen om een pak karnemelk te halen. Niemand toont ook maar enige verbazing. Af en toe wordt er even met een uitgestreken gezicht naar ons gekeken, waarna er achteloos wordt verder getelefoneerd. Mocht er ooit een zombieuitbraak in Amsterdam plaatsvinden, reken vooral niet op een al te proactieve aanpak. Waarschijnlijk zullen de meesten eerst verzuchten: „O nee, daar heb je weer van die aanstellerige acteurs.”

Nog verontrustender is misschien dat ik maar liefst drie flirts had – een niche die ik maar even niet verder zal uitzoeken.

Als het filmen gaat beginnen, worden als laatste detail mijn tanden zwartgelakt en krijg ik een eenogige, gehavende teddybeer om aan te nibbelen. Terwijl ik mijn best doe zo ondood mogelijk over te komen (‘je hebt net in een graf gelegen. Denk aan hoe je je voelt als je op een kampeermatrasje hebt geslapen’), zie ik om mij heen de andere zombies waggelen: knappe jongens, de ouders van iemand van productie, een zwangere vrouw. Even voel ik me onderdeel van een ware zombieplaag. Na afloop was ik mistroostig het bloed van mijn gezicht. Gelukkig blijf ik de rest van de dag flinters siliconenhuid vinden – zodat ik me toch nog steeds een beetje zombie voel.