Vegetariërs: slachtoffers van een seksueel overdraagbare eetstoornis

De auteur, te gast op het Short Story Festival in Kroatië, wordt van het vliegveld naar een restaurant gebracht. „Eet iedereen vlees?” Jazeker. De auteur is al drie jaar geen vis etende vegetariër meer. Zij verorbert een lap kalf en overschrijdt met het eten van een onvolgroeid dier alweer een grens. Lekker vlees in Zagreb, bedenkt zij schuldig maar voldaan. En hoe zit het in Split? Ja, daar ook. Erg lekker vlees. Op het festival leest zij een verhaal voor over een vrouw die verliefd wordt op een stier.

„Heb je Eating animals van Jonathan Safran Foer gelezen?”, vragen haar vegetarische vrienden haar, de verraadster. Nee, dat heeft zij niet. Ze is het ook niet van plan want haar nieuwe dieet voelt comfortabel. Hoewel.

Soms meent zij tekens te zien. Zij weet dat dit een vorm van krankzinnigheid is en probeert er geen belang aan te hechten. Maar soms lijkt alles wat zij leest en ziet verband te houden met elkaar, haar ergens op te wijzen.

Op de terugweg leest zij een International Herald Tribune, met daarin een recensie van de essaybundel Man with a pan. In een van de essays wordt een man die onder invloed van zijn nieuwe vriendin vegetariër werd het slachtoffer genoemd van een seksueel overdraagbare eetstoornis. Daarvan probeerde iemand de auteur die de krant leest ook ooit te overtuigen; dat zij als vegetariër aan een eetstoornis leed. Misschien geloofde zij dat een beetje, misschien werd het vleeseten seksueel aan haar overgedragen. In dezelfde krant leest zij een opiniestuk van iemand die vindt dat vleeseten enkel met mate mag. Onze hersenen reageren nog steeds op vlees alsof we het moeten eten als het er is, omdat het er vroeger niet vaak was.

De auteur laat de krant achter. In de luchthaven van München koopt ze de laatste verhalenbundel van T.C. Boyle. Daarin leest ze het verhaal ‘Question 62’ waarin een man en een vrouw heel opgewonden worden van elkaar maar ruzie krijgen tijdens hun eerste afspraak: hij is een jager, zij een vegetariër, de situatie is hopeloos.

De auteur droomt een droom met maar één beeld: een akelige versie van zichzelf (graatmager, lang, vuil haar, onnatuurlijk brede grijns) zit op haar knieën in een modderige wei. Zij omhelst liefdevol een grote glazen pot waarin een koeienhoofd en ingewanden drijven. Zij voelt zich op een wilde manier gelukkig. De auteur ontwaakt en denkt: tekens.