Terwijl de Griek snurkt, biedt deTurk goede service

Ondernemende Turken lokken de Egeïsche zeezeilerij naar het oosten.

Waarom doen Grieken minder hun best om de toerist te plezieren?

Het lijkt mij twijfelachtig of hearsay over het arbeidsethos van het Griekse volk een zinnige basis vormt voor een besluit over wel of geen nieuwe steun aan dat land, zoals de gerenommeerde monetair economen S. Paradijs en G. Wilders beweren. Als je de zaak dan per se antropologisch wilt benaderen, zou je ook het ethos van de bankiers die zo’n ‘aartslui’ land telkens weer miljarden lenen in de analyse moeten betrekken. Maar dat neemt allemaal niet weg dat mentaliteit een economische factor van belang kan zijn.

Als bemanningslid van een in de Egeïsche Zee gestationeerd zeilschip moest ik de afgelopen maanden geregeld terugdenken aan onze ervaringen met de Griekse hospitality-business, en ook afgelopen week weer, tijdens onze jaarlijks cruise door dat gebied.

Het makkelijkst aanleggen met een zeilboot is langszij. Dat vereist voor elke boot een steiger. Iets minder makkelijk is haaks aanleggen, de achtersteven aan de steiger, de boeg aan een zogeheten mooring line, een touw, verankerd in zee, dat je opvist met een haak. Dat scheelt een hoop steigers. Nog lastiger wordt het zonder mooring line, dan moet je in de haven je anker uitgooien. De bodem van deze zee is rotsig, ankeren kan lastig zijn op volle zee, laat staan in een nauwe ruimte tussen andere schepen. Bij aankomst heb je al gauw een aanvaring (letterlijk en figuurlijk) en bij vertrek loop je kans (kruisende kettingen!) behalve je eigen ook het anker van je buurman te lichten, die dan net aan de muesli zit.

Het interesseert de Griekse havenbaas meestal geen bal. Sterker, je moet eindeloos naar hem op zoek om je liggeld af te dragen, en niet zelden vind je hem snurkend in een wit plastic stoeltje. Sanitair: wasknijper mee.

De Egeïsche zee barst (nog) van de vis, maar vis eten in een Griekse jachthaven is lastiger dan in Zürich. ‘Geen vis. Geit!’ De standaard ‘Griekse salade’ staat dan meestal al op tafel, iets anders is er gewoon niet.

De tocht gaat oostwaarts en na een handvol Griekse stopplaatsen naderen we een Turkse. Çökertme bijvoorbeeld, iets ten oosten van Bodrum. Nu geen walrus in een stoel die je met één geopend oog registreert en dan zijn siësta hervat, maar een jonge, magere Turk die op zijn steiger heen en weer holt alsof er brand is, zwaaiend met een oranje plastic bal. En nog één, even verderop, met een gele bal, en nog één, met een blauwe. De man met de bal rent naar zijn motorbootje, bedenkt zich, rent terug naar de steiger om voor de zekerheid nog wat meer met zijn bal te zwaaien, springt alsnog in z’n bootje en scheurt in een fraaie boog op ons af.

De plastic bal is de boei van zijn mooring line, die je maar hoeft aan te pakken. Veel wind, zodat we verlijeren? Met de rubberen neus van zijn bootje houdt hij ons keurig recht. De steiger is vaak zelfgetimmerd, van plaatselijk naaldhout dat buigt onder je voeten, soms is er zelfs een oude deurpost of stoelpoot in verwerkt – whatever works. Met de geringste middelen is een accommodatie gefabriekt waarin je wordt onthaald als een vorst.

Vis? Natuurlijk! Groenten, mezze, lokale wijn die niet naar afbijt smaakt, ontbijt met fruit, yoghurt en honing, diverse kazen, maar ook ‘omelet’ als je wilt, en „Turkish coffee, filter coffee or Nescafé?”

Het schip waar ik op zeil, lag aanvankelijk in Kalamaki, Athene. We liepen er een keer ongenadig vast omdat de opgegeven diepgang niet meer klopte (vergeten te baggeren) en toen we na een paar uur zwoegen los waren, lag er een fikse rekening voor de assistentie. Eenvoudige reparaties duurden weken. Intussen bouwen de Turken aan de overkant de ene jachthaven na de andere, met state of the art-voorzieningen, lage liggelden en voortreffelijke service. Na één bezoek was de keuze snel gemaakt, en sindsdien ligt het schip daar (in Didim). De eigenaar (ik ben slechts werktuigkundige en hofmeester) wordt met naam en toenaam aangesproken en als we na een lange tocht terugkeren rukt de havenmeester met drie man sterk uit, klimt aan boord en neemt als je wilt zelfs het roer. (Dat is onze nautische eer te na, maar toch). Een complexe schilderbeurt met speciale verf? Burç, de jonge scheepsbouwer, pakt de auto naar Izmir en laat het zich bij Dupont Chemicals allemaal haarfijn uitleggen. Nog even en je kunt in de Golf van Bodrum, een van de mooiste zeilgebieden ter wereld, van de ene fonkelnieuwe D-Marin-jachthaven naar de andere zeilen.

Het kleinste plaatsje dat we aandeden, was Akbuk, in de Golf van Gokova. Een vlek – zelfgetimmerd steigertje, verzameling aftandse caravans die ’t midden houdt tussen een camping en een zigeunerkamp, maar de dromerig rondsloffende Ahmed had zijn nerinkje tiptop in orde: kiezelstrandje, rieten parasolletjes en een kok (wij vermoedden zijn moeder), die zó goed kookte dat we er de volgende dag boven onze hippe hapjes in de Yacht Club van Bodrum, gesponsord door Maserati en Rolex, met weemoed aan terugdachten.

Wij waren, daar bij Ahmed, het enige jacht aan de steiger. Gaat dat wel zo? informeerden we. O ja, zei Ahmed, het wordt hier drukker en drukker. Met? „Individuele zeilers zoals u, maar over twee weken hebben we ons eerste flottielje. Van SunSail.” Hij verontschuldigde zich dat de wifi maar tot halverwege zijn terras reikte. Next year stronger system. Vraag op een Grieks eiland om wifi en ze zetten de muziek harder. Nu maar hopen dat de Turken, als ze in de EU komen, niet ook gaan snurken.

En zo trekken de ondernemende, gastvrije Turken de Egeïsche zeezeilerij stukje bij beetje naar het oosten.

Jan Kuitenbrouwer is journalist.