Museum was de panacee voor de identiteitscrisis na Pim Fortuyn

Controverses kleurden het korte bestaan van het Nationale Historische Museum. Het museum moest de nationale identiteit uitdragen. „Pannenkoeken eten en dan naar het museum!” Een terugblik.

Het einde van het Nationaal Historisch Museum is „puur een financiële beslissing”, meent Erik Schilp, directeur van het museum, geen politiek besluit. Nooit kreeg het NHM, toch een politiek product, de gloed van een Grand Projet. Een presidentiële glans kreeg het NHM nooit. Het bleef bij dof gekibbel en eindeloze discussies.

Vanaf de eerste aanzetten tot oprichting van een Nationaal Historisch Museum, zo’n tien jaar geleden, was er verzet tegen het idee dat een informatiecentrum de nationale identiteit moest gaan uitdragen. Toch was dat het doel in de woelige post-Fortuynjaren: Nederland zocht zichzelf en er moest een centrale plek komen waar kinderen en allochtonen kennis konden maken met de verbindende principes van de natie. Na het aannemen van de motie-Marijnissen/Verhagen over een museum in plaats van een centrum, in 2006, zei minister Van der Hoeven dat het museum er kwam voor „het bevorderen van historisch besef, kennis van Nederland als land, door middel van moderne, voor jongeren aantrekkelijke technieken”.

Dat was 2006. Sindsdien was er constant discussie over zin, inhoud en locatie van dit nationale baken. Inspirator Jan Marijnissen (SP) ontpopte zich tot gezicht en verdediger van het plan. De „geestelijke grondslagen van onze natie” moesten worden getoond in tijden van Europese eenwording en globalisering en gegeven het feit „dat steeds meer mensen met een andere culturele achtergrond in ons land wonen”.

Terugkerend bezwaar van tegenstanders vormden juist de nationalistische en paternalistisch geachte principes achter het idee. Bijkomend argument van tegenstanders was dat het Rijksmuseum al nationaal geschiedenismuseum was.

Al in 2002 schreef de toenmalige Rijks-directeur dat er geen museum moest komen, omdat het Rijks zijn geschiedenisdeel ging versterken. De nieuwe directeur, Wim Pijbes, deed de discussie vorig jaar weer oplaaien door het pistool waarmee Pim Fortuyn werd gedood te willen tentoonstellen. Waarop Frits van Oostrom, voorzitter van de commissie die de canon van de Nederlandse geschiedenis vaststelde, én lid van de raad van toezicht van het Rijks en het NHM, zei: „Het Rijksmuseum is geen geschiedenismuseum. Dat moet het ook niet willen zijn.” Eind april adviseerde de Raad voor Cultuur dat het Rijks het NHM onder zijn hoede kon nemen.

De situatie voor het NHM was penibel geworden nadat in oktober vorig jaar de net aangetreden staatsecretaris van Cultuur, Halbe Zijlstra (VVD), besloot niet langer 50 miljoen te reserveren voor de voorgenomen nieuwbouw wegens de bezuinigingsplannen van het kabinet.

Directeur Schilp reageerde strijdbaar. Een museum kon ook zonder gebouw, stelde hij. „ Dat hebben mijn collega Valentijn Byvanck en ik altijd gezegd. Wij geloven dat een 21ste-eeuws museum iets anders is dan muren waar je schilderijen aan hangt.” Toch ging hij op zoek naar dat gebouw, allengs erkennend dat een gebouw het NHM smoel zou geven. Tijdelijk nam het NHM intrek in de kleine Zuiderkerk in Amsterdam. Zelfs bruiloften konden er worden gehouden om geld te verdienen.

Het resultaat van Schilps zoektocht was dat het leegstaande Paleis Soestdijk benut zou moeten worden door het NHM. De provincie Utrecht streed daar al jaren voor. Vijftien historici stelden zich in een opiniestuk achter dit initiatief. Dat gaf bovendien tegenwicht aan het idee dat het het museum draagvlak ontbeerde. Ondanks onder meer het organiseren van de Week van de Geschiedenis was het NHM in de jaren van zijn bestaan nauwelijks zichtbaar. Het was een projectbureau met website. Pas vorige maand opende een eerste kleine expositie, 100 m2.

Het alle kaarten zetten op Paleis Soestdijk is het NHM fataal geworden. Die gok bleek het slotstuk van een zoektocht naar een gebouw, die al in 2007 begon met de verrassende beautycontest die toenmalig minister Plasterk uitschreef onder Amsterdam, Den Haag en Arnhem. Arnhem had een futuristische canontoren laten ontwerpen en benadrukte de samenwerking met het naastgelegen Openluchtmuseum. Plasterk bij zijn bezoek aan Arnhem: „Een echt gezinsuitje. Eerst naar het Openluchtmuseum, dan pannenkoeken eten en dan naar het geschiedenismuseum.” Het werd Arnhem. Licht rumoer was er een half jaar later over de benoeming van Kamerlid Atzo Nicolaï (VVD) tot voorzitter van de Raad van Toezicht in oprichting van het museum. „De twee functies laten zich niet verenigen,” schreef deze krant.

Vervolgens deed Plasterk in het najaar van 2008 een opvallende benoeming door twee eigenzinnige directeuren aan te stellen. Erik Schilp en Valentijn Byvanck waren jong en ambitieus en hadden naam gemaakt door met mode en nieuwe media lokale historische musea een ander aanzien te geven. „De Viktor & Rolf van de museumwereld”, zei Plasterk . Ze hadden „traditionele, bedaagde musea weten om te toveren tot eigentijdse plekken, met spannende tentoonstellingen.”

Twee maanden later lag er een inventarisatie van opvattingen van ruim 120 betrokkenen uit het ‘geschiedenisveld’. „Het moet niet gaan over goed-fout in de Nederlandse geschiedenis”, concludeerde Nicolaï in zijn rapport. Ook moest het geen „statisch museum” zijn.

Tegen deze krant zei Schilp dat de historische canon geen leidraad hoefde te zijn voor het museum – zoals wel was bedacht door de Kamer. Daar kwam enkele maanden later de aankondiging bij dat het museum gevestigd zou worden in een pand in het centrum van Arnhem, bij de John Frostbrug. En dus niet naast het Openluchtmuseum. Dat zette veel kwaad bloed. Jan Marijnissen zei te vrezen voor „een speeltuin met knoppen en spelletjes” en maakte de directeuren uit voor „postmoderne yuppen”.

In een spoeddebat (mei 2009) liet Plasterk weten achter de directie te staan. Uiteindelijk keerde een meerderheid van de Kamer zich uit tegen de veranderingen en vóór bouwen in de bossen van Arnhem, naast het Openluchtmuseum. Schilp sprak van „curieuze bemoeienis” en vroeg om een blanco cheque, omdat het parkeren op die plek in de natuur zo duur zou worden. Dat was de opmaat naar de ‘parkeersoap’.

Minder dan een jaar later lag er een rapport. Om voldoende parkeerplaatsen in een ondergrondse garage te kunnen aanleggen zou 60 miljoen euro nodig zijn. De goedkoopste optie kostte nog 7,5 miljoen, maar de aanleg van een vlak parkeerterrein zou een aanslag zijn op natuurgebied en dan lag er een vergunningenstrijd in het verschiet. Kamerleden maakten grappen. Elbert Dijkgraaf (SGP) noemde het NHM „nu al een historisch museum”.

Bij Prinsjesdag volgde vorige jaar het nieuws van een eerste controversiële bezuiniging van vier miljoen. Met zijn besluit de nieuwbouw niet langer te subsidiëren gaf hij het NHM ook de vrijheid zelf te beslissen over een vestigingsplaats. Arnhem en de provincie Gelderland hadden vier jaar na hun geslaagde verleidingspoging alsnog het nakijken en reageerden furieus toen Schilp Arnhem meteen vaarwel zei.

De keuze viel op het pittoreske Baarn. Eerder had de NHM-directie het paleis van de Oranjes als te beladen afgewezen. De stadspartij van het dorp en de provincie Utrecht ijverden al jaren voor de komst van het NHM. Maar een nieuw debat over de aard, de inrichting en de parkeerproblemen bij het paleis heeft er niet mogen komen.